• blad nr 10
  • 20-5-2000
  • auteur . Lachesis 
  • Column

 

Bodem

De ouders van Werner en wij, de leerkrachten, hebben inmiddels vele stadia doorlopen. Van wanhoop naar hoop, van hoop naar vastberadenheid. Van vastberadenheid naar twijfel. Van twijfel terug naar wanhoop. Vanaf de constatering dat het zo echt niet langer ging ­ november vorig jaar ­ is er van alles gebeurd. Er zijn talloze gesprekken gevoerd, rijen deskundigen langs geweest, onderzoeksrapporten opgesteld. Er is veel getobd, gedubd en overwogen. Het resultaat is echter gelijk aan nul. Er is geen diagnose, geen remedie, alleen een probleem.
Werner is sociaal onvermogend. Hij weet niet hoe hij op een normale manier contact moet maken. Zijn chronische verongelijktheid en achterdocht nemen regelmatig groteske proporties aan. Hij is ervan overtuigd dat hij altijd slecht wordt behandeld. Door iedereen. Iedere onopzettelijke duw beschouwt hij als een aanslag, elke opmerking die gemaakt wordt over zijn gedrag ziet hij als persoonlijke nederlaag. Hij maakt uitgebreid gewag van zijn eeuwige ongenoegen. Op het plein heeft hij voornamelijk ruzie, hij is gespecialiseerd in het uitdelen van loeiharde schoppen. Het maakt beslist niet uit of het slachtoffer jonger is of van het andere geslacht. Zulke aspecten genieten zelfs zijn voorkeur. Het is praktisch onmogelijk om hem tot enig inzicht te brengen op dit gebied. Hij blijft aanvoeren dat hij er niets aan kon doen en dat we blij mogen zijn dat hij niet nog veel harder tekeer is gegaan.
Zijn klasgenootjes lieten zich jaren intimideren door zijn agressieve en onvoorspelbare gedrag. Langzaam maar zeker kwam daar verandering in. Sommige jongetjes merkten tot hun vreugde dat ze ineens een kop groter waren dan hij. Ze bleven dan ook steeds vaker uitdagend voor hem staan in plaats van op de vlucht te slaan. Andere jongetjes merkten tot hun vreugde dat ze een stuk slimmer waren dan hij. Zij schepten er enorm veel plezier in om hem net zo lang te jennen tot hij weer een van zijn beruchte woedeaanvallen kreeg. Veel meisjes besloten dat ze de wereld maar eens wat dapperder en onverschrokkener tegemoet dienden te treden. Zij bleven pal staan, al was het met gevaar voor eigen leven.
Werner kreeg om die reden steeds meer problemen. Zijn ouders werden met de dag wanhopiger. Vooral zijn moeder. Ook thuis was er geen land met hem te bezeilen. Familiebezoekjes hadden steevast een bijna nachtmerrieachtig verloop. Zijn broertje en zijn zus leden ernstig onder het gedrag van Werner. We besloten gezamenlijk dat het zo niet langer ging. Restte alleen nog de vraag wat te doen. Er werd een orthopedagoog ingeschakeld. Zij kwam in de klas en observeerde. Na een uurtje gaf ze aan dat ze niet wist wat ze ervan denken moest. Het zou misschien een aan autisme verwante stoornis kunnen zijn of anders toch zeker adhd. Er moest in ieder geval een psychiatrisch onderzoek komen, besloot ze.
Bij navraag bleek Werners geval niet urgent genoeg. De wachtlijsten waren eindeloos lang. Ondertussen gooide moeder het plotseling over een andere boeg. Van het ene op het andere moment kregen wij vragen te verwerken over onze aanpak. Zaten we wel op één lijn? Benaderden we hem wel uitnodigend genoeg? Namen we wel de tijd om hem uit te leggen waarom zijn gedrag storend was voor anderen? Wij pareerden deze subjectieve vragen gelaten doch knarsetandend. Niet veel later heette Werner ineens een nieuwetijdskind te zijn.

Hij verveelt zich snel, lichtte moeder toe. Hij is angstig en eenzaam en voelt zich niet zo thuis in deze wereld. Ze zei dit te herkennen. Ook haar was dit gevoel niet vreemd. Ze was alleen van het vrouwelijk geslacht, vrouwen uiten zich niet zo snel op een agressieve wijze.
We knikten vriendelijk doch geloofden er geen woord van. In de klas worstelden we verder met Werner.
We spoorden hem eindeloos aan. Spraken hem toe. Prezen hem de hemel in als hij zich maar een millimetertje bereid toonde de gevolgen van zijn gedrag onder ogen te zien. Haalden maar zelden de koffiepot of het magazijn vanwege de rauwe, woedende of van pijn doortrokken kreten die uit het lokaal opstegen en vrijwel blind terug te voeren waren op illegale handelingen van Werner. ³Ze begonnen zelf², schreeuwde hij ons dan al van verre tegemoet. ³Ik wil het graag tot op de bodem uitgezocht hebben², smeekte moeder.
Wij ook. Maar wie groef er zo diep?
Jeugdzorg meldde zich. Wij vulden een vuistdikke stapel formulieren in. Moeder meldde ons dat de hulpverleners van Jeugdzorg zelf dachten dat de problemen van Werner waarschijnlijk te maken hadden met het feit dat vader en moeder niet op dezelfde lijn zaten. Moeder was geneigd ze te geloven. Vader zweeg. Wij ook. En zo opperden, twijfelden en aarzelden de deskundigen voort. ³Ik zet nu echt door, hoor², liet moeder ons weten. ³Ik ben er in groep twee al over begonnen. Ik wil het nu echt weten. Kan de interne begeleider nietŠ?² Natuurlijk spraken wij met de interne begeleider.
Het is nu mei. Soms leidt intensieve aandacht als vanzelf tot een accentverschuiving en een begin van inzicht. Dit keer niet. We zijn geen stap verder gekomen. Niemand weet wat er is met Werner. Op sommige vragen zijn kennelijk geen antwoorden.

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.