• blad nr 9
  • 9-5-2015
  • auteur Y. van de Meent 
  • Redactioneel

Rotterdams openbaar onderwijs 

Meer lessen draaien door blunders bestuur

Het Rotterdams openbaar onderwijs moet nog tot 2020 beknibbelen om de gaten in de begroting te dichten. Ontstaan door wanbeleid van de gemeente en het vorige bestuur. Ontslagen vallen er niet, maar docenten moeten wel allemaal “een stapje harder lopen”. Bij het Wolfert Lyceum in Bergschenhoek lopen de gemoederen op. “Docenten werken zich straks helemaal over de kop.”

Het was een duivels dilemma waar de tachtig docenten van het Wolfert Lyceum in Bergschenhoek voor stonden. In maart moesten zij kiezen tussen minder tijd om hun lessen voor te bereiden óf schrappen in de lessentabel en taakuren. “Ik heb er heel erg mee gezeten”, bekent docent geschiedenis Jasper van der Hoek. “Er moet bezuinigd worden, dat begrijp ik wel. Door docenten minder voorbereidingstijd te geven, verdeel je de pijn het eerlijkst, maar het is wel erg ingrijpend.”
De directie wilde de opslagfactor verlagen van 1,74 naar 1,5, wat betekent dat de tijd voor lesvoorbereiding en nakijkwerk met 30 procent daalt. Daardoor kunnen docenten een paar lessen per week extra geven. Maar de havo/vwo-school bespaart door die ingreep meer dan nodig is, waardoor er ruimte overblijft om leraren met grote klassen te compenseren, legt directeur Peter Wind uit. “Als je een klas met 18 leerlingen of minder hebt, krijg je de opslag van 1,5; met een klas van 18 tot 28 leerlingen zouden we naar 1,6 gaan; boven de 28 leerlingen zou het 1,7 worden.” Ook zou er ruimte zijn om niet-lesgebonden taken beter te honoreren.
Dat laatste klonk Jasper van der Hoek als muziek in de oren. “Ik ben net met een groep leerlingen naar Berlijn geweest. Voor het organiseren en begeleiden van die reis kreeg ik maar tien uur. Dat is heel erg karig.” Maar van wiskundedocent Pieter Vreugdenhil mag er in de taakuren gesneden worden, want “als die opslagfactor eenmaal omlaag is, gaat hij niet meer omhoog zodra er weer wat meer geld is”.
“De tegenstanders vinden dat we ons op een hellend vlak begeven als we instemmen met het verlagen van de opslagfactor”, weet Freek Groeneweg, leraar aardrijkskunde en lid van de medezeggenschapsraad van het Wolfert. “Voor het aanpassen van het taakbeleid is een tweederde meerderheid onder docenten nodig”, legt hij uit. “Maar de compensatie voor grote klassen die de directie voorstelt, kan als het financieel weer tegenzit zomaar verdwijnen.” Zelf denkt hij dat het niet zo’n vaart zal lopen omdat de medezeggenschapsraad instemmingsrecht heeft met het formatieplan.

Grotere klassen
Maar het verlagen van de opslagfactor gaat niet door. Het directieplan heeft net niet de tweederde meerderheid gehaald die de cao voorschrijft. Daarom moeten er nu lesuren geschrapt worden en dat gaat ten koste van individuele docenten, stelt Peter Wind. “De eerste klassen krijgen bijvoorbeeld voortaan drie uur per week Nederlands in plaats van vier. Daardoor krijgen de docenten er een klas bij. Dat levert ze meer werk op en ik heb één docent Nederlands minder nodig.” En ook van het snijden in taakuren zijn individuele docenten de dupe. “Het decanaat gaat bijvoorbeeld terug in uren. Er is nu 280 uur beschikbaar, dat wordt 100 uur. Daardoor moet de decaan drie of vier lesuren extra geven en dat gaat weer ten koste van een biologiedocent met een tijdelijke aanstelling.”
Ook zullen de klassen groter worden. “Ik wilde gaan splitsen bij 28 leerlingen, dat wordt nu 35”, aldus de teleurgestelde directeur.
Wind is nog aan het puzzelen, maar hij verwacht dat de tijdelijke contracten van zes docenten komend schooljaar niet verlengd kunnen worden. Dat is extra zuur omdat het Wolfert Lyceum een jonge, groeiende school is. Onder normale omstandigheden zou Wind juist nieuwe leraren aantrekken. Maar de omstandigheden zijn niet normaal, want het Wolfert Lyceum wordt bestuurd door de Stichting Boor, het Rotterdamse schoolbestuur dat financieel in zwaar weer zit.
Boor bestuurt 82 openbare scholen in het po en vo, waar 30.000 leerlingen uit Rotterdam en omgeving naartoe gaan. Met een jaarbudget van ongeveer 250 miljoen euro is Boor een van de grootste schoolbesturen. Tot 2008 werden de scholen door de gemeente Rotterdam bestuurd, in dat jaar werd het schoolbestuur verzelfstandigd. Boor kreeg een bruidsschat van 26 miljoen euro mee en moest voortaan op eigen benen staan. Dat ging niet lang goed.
Het Boor-bestuur kreeg geen greep op de financiën. Door een falend administratiekantoor ontbrak het zicht op de inkomsten en uitgaven en werd de bruidsschat razendsnel opgestookt. Vanaf 2009 waren er tekorten, die opliepen naar 14,5 miljoen in 2011 en 12,3 miljoen in 2012. Tot overmaat van ramp kwam in 2011 een bouwfraude aan het licht die al speelde voor de verzelfstandiging en die nog steeds niet helemaal is afgehandeld. In april 2012 greep het gemeentebestuur in door een bewindvoerder te benoemen. Die dichtte de grootste lekken in de exploitatie en ging op zoek naar nieuwe bestuurders.
“Toen ik medio 2013 aantrad, trof ik een failliete boedel aan”, zegt Didier Dohmen, de financiële man in het nieuwe college van bestuur. “Er zat op dat moment nog maar 10 miljoen in de spaarpot, terwijl we 25 miljoen nodig hebben om onverwachte tegenvallers te kunnen opvangen. En we koersten af op een tekort van 5 miljoen euro.”
Hoewel zijn voorganger het personeelsbestand al had ingekrompen moest Dohmen opnieuw ingrijpen. “We hebben onmiddellijk alle tijdelijke aanstellingen opgezegd en een investeringsstop ingesteld.” Dankzij die noodmaatregelen schrijft Boor weer zwarte cijfers. In 2013 bleef er 3 miljoen over en vorig jaar zelfs 4,3 miljoen.

Uitgavenpiek
Maar daarmee is het tij nog lang niet gekeerd. Om de uitgeholde reserves weer op peil te brengen, moeten de Rotterdamse scholen tot 2020 elk jaar 2,5 miljoen euro sparen (1 procent van hun inkomsten). Door de zwakke vermogenspositie kampt Boor met een liquiditeitstekort. Het schoolbestuur mag van de huisbankier maar 7,5 miljoen euro rood staan op de betaalrekening. Te weinig om de uitgavenpiek aan het eind van het jaar op te vangen. Daarom vroeg Boor de gemeente Rotterdam om in december alvast 3,2 miljoen euro subsidie over te maken, die anders pas in januari zou binnenkomen.
NRC Handelsblad trok daaruit begin maart de conclusie dat de gemeente Boor voor een bankroet heeft behoed. Onzin, vindt Dohmen. “Het gaat juist steeds beter met Boor. We hebben de financiële administratie op orde en daardoor zagen we dat liquiditeitstekort ook ruim op tijd aankomen.” Om de geldnood op te lossen is Dohmen bezig met schatkistbankieren. Dat houdt in dat een schoolbestuur een betaalrekening aanhoudt bij het ministerie van Financiën. “Als dat rond is, krijgen we een krediet van 25 miljoen op onze rekening-courant. Daarvoor hebben een garantstelling van OCW en de gemeente nodig. Daar zijn we mee bezig, maar dat vraagt tijd.”
Het gaat financieel dus beter, maar het huishoudboekje vertoont nog flinke onevenwichtigheden. “We geven nog steeds te veel geld uit aan personeel”, stelt Dohmen. “Dat is een van de problemen waar de gemeente ons bij de verzelfstandiging mee heeft opgezadeld: een flinke overformatie. We hadden 150 fte te veel, wat neerkomt op 10 miljoen euro aan personele uitgaven waarvoor geen dekking was.” Dat gat is deels gedicht door onderhoud van de gebouwen uit te stellen en afschrijvingsregimes op te rekken. Die noodmaatregelen moeten nu ongedaan gemaakt worden en dat betekent dat er weer bezuinigd moet worden op het personeel.
“In het basisonderwijs doen we dat door kleine scholen te sluiten of samen te voegen”, vertelt Dohmen. Daardoor worden de klassen groter en zijn er minder leerkrachten nodig. De krimp kan via natuurlijk verloop opgevangen worden; er vallen geen ontslagen. Maar er worden wel veel leerkrachten overgeplaatst.

Te royaal
In het voortgezet onderwijs bepalen de scholengroepen zelf hoe ze hun huishoudboekje op orde brengen. Rob Fens is rector van de Wolfert van Borselen Scholengroep, die naast het Wolfert Lyceum nog vijf andere vo-scholen telt. Met elkaar hebben ze 4000 leerlingen. Fens moet 800.000 euro ‘vrijspelen’ op een begroting van 30 miljoen. De beste manier om dat te doen is het verlagen van de opslagfactor, een maatregel die elders al veel is genomen. “We hebben geïnformeerd bij de andere Rotterdamse besturen, maar ook bij OMO en Carmel. Die zitten allemaal lager dan 1,7. Wij zijn gewoon te royaal met het toedelen van voorbereidingsuren.”
“De meeste scholen die ik ken, zitten op een opslag van 1,6 of 1,65”, zegt AOb-rayonbestuurder Jan Menger. “Een opslagfactor van 1,5 is echt te weinig om het onderwijs goed uit te voeren. De werkdruk wordt onaanvaardbaar hoog als je zo rigoureus snijdt. Een paar pleisters plakken waar het pijn doet door docenten met grote klassen te compenseren, is niet genoeg. Het is ook niet nodig, je kunt ook schrappen in taken die minder rechtstreeks met de onderwijskwaliteit zijn verbonden.”
Dat gebeurt nu ook bij het Wolfert Lyceum en de twee andere Wolfert-scholen waar het plan van de rector geen tweederde meerderheid heeft gehaald. Maar dat zorgt net zo goed voor taakverzwaring, waarschuwt Fens. “We moeten bij Boor het onderwijs met minder personeel uitvoeren. Docenten moeten daardoor gewoon een stapje harder lopen.”
Dat is precies wat wiskundedocent Pieter Vreugdenhil dwarszit. “Het management wil de opslagfactor verlagen, maar geeft niet aan welk deel van het voor- en nawerk je niet meer hoeft te doen. Minder toetsen? Geen enquêtes meer invullen? Niet meer vergaderen? Dat mag een docent zelf uitmaken.” Maar docenten willen hun werk goed doen en willen ook niet beknibbelen op de extra lessen schaken, filosofie of debatteren, die juist sjeu geven aan het vak. “Ze werken zich straks helemaal over de kop. Op managementniveau is er in het verleden geblunderd, maar dat lossen ze bij Boor op door docenten een stapje harder te laten lopen.”


Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.