- blad nr 7
- 4-4-2015
- auteur J. Poortvliet
- Redactioneel
De dilemma’s van de inspectie
Dilemma’s, noemt Arnold Jonk, hoofdinspecteur primair onderwijs, het zelf. “Toezicht opereert altijd in een spanningsveld. Scholen willen aan de ene kant zoveel mogelijk helderheid. Aan de andere kant willen ze een inspectie die met begrip voor hun specifieke situatie en verstand van hun opvattingen oordeelt over de school. Iedereen moet zich goed realiseren dat dat moeilijk verenigbare wensen zijn. Het maakt ons werk wel eindeloos boeiend.”
Sinds een maand of vier zoekt de Onderwijsinspectie bewust de media op over haar aanpak. Ze heeft wat te verkopen: het nieuwe toezichtkader dat per augustus 2016 in werking moet treden. Nog voor de zomer wordt dit op vijfhonderd basisscholen getest. Het idee: veel meer ruimte voor de eigen invulling van het onderwijs, aldus Jonk. “We willen graag vertrekken bij de informatie en opvattingen van de school zelf. Scholen waarderen die hun eigen visie op onderwijs waarmaken. Ook gaan we breder naar onderwijskwaliteit kijken, zodat we een genuanceerder oordeel over een school kunnen vellen.”
Prachtige gedachtes. Maar het veld kreunt nog onder de effecten van de huidige inspectiekoers: het risicogerichte toezicht. Al bijna tien jaar hanteert de Onderwijsinspectie strikte – opbrengstgerichte – normen. Deze moeten garanderen dat een school ten minste een basis aan kwaliteit biedt. Jonk: “Als wij een school als zwak beoordelen, is daar serieus iets aan de hand dat een negatieve invloed heeft op het onderwijs aan leerlingen. Ik snap dat scholen dat predicaat vervelend vinden, maar voor die verantwoordelijkheid loop ik nooit weg. Wij zijn er niet om populair te zijn bij scholen.”
Ten onrechte bang
Dit ‘bewaken van de onderkant’ blijft ook in het nieuwe toezicht gewoon bestaan. Dus ja, een school kan straks de pluim ‘goed’ krijgen en zelfs ‘excellent’ via een jury, maar tegelijk moet ze alle zeilen bij blijven zetten om niet zwak te worden. De reactie van de inspectie hierop is telkens dezelfde. ‘Scholen zijn onterecht bang voor ons oordeel’ (Didactief, december 2014). En: ‘Die angst is echt niet nodig. De kans dat je zwak wordt bevonden is minimaal’ (Schooljournaal, januari 2015). Jonk: “Ik zou willen zeggen: Verdiep je eens in de echte eisen en maak ons niet enger dan we zijn. Van alle basisscholen in Nederland is op dit moment maar 2 procent zwak. Veel meer scholen dan nodig maken zich daar zorgen over. Bovendien zijn die opbrengstnormen voor de onderkant niet hoog.”
Ook de administratieve last die een inspectiebezoek met zich meebrengt, is volgens Jonk een interpretatiefout. Want van de inspectie hoeft het niet. “Ik wuif het niet weg, hè. Ik zie het als onze taak om op de plekken waar we zien dat administratie uit de hand loopt, daar wat van te zeggen. Dat hebben we heel weinig gedaan.” Maar zaken op papier zetten blijft een must, onder andere omdat onderwijs teamwerk is, stelt Jonk. “Dat betekent met elkaar dingen vastleggen, zodat je kunt evalueren. Dat doe je niet voor ons, dat doe je voor je schoolontwikkeling, en voor jezelf als leraar. Als je niet hebt gepland, hoe kun je dan over een half jaar reflecteren of je het goed hebt gedaan? De wettelijke deugdelijkheidseis is dat je leerlingen gestructureerd en geobjectiveerd volgt. Niet elke dag, maar wel dat je aantoont dat het onderwijs aansluit bij verschillen tussen leerlingen en dat je een doorlopende leerlijn hebt. Wij moeten daarop controleren, maar het is aan de school om die informatieverzameling te operationaliseren. Wat ons betreft zit daar veel ruimte in.”
De in het primair onderwijs veelgebruikte groepsplannen zijn bijvoorbeeld niet verplicht, zegt Jonk. “Dat is zo’n populair misverstand. Als een school zegt: Wij werken met groepsplannen, dan vragen wij: Laat me je groepsplan zien. Als een school er niet mee werkt, vragen we er ook niet naar.” Ook het directe instructiemodel staat nergens letterlijk in het toezichtkader vermeld, aldus Jonk. Maar kan hij er voor instaan dat zijn inspecteurs deze werkvormen niet afdwingen? “We zijn lange tijd niet helder genoeg geweest in wat wel en niet moet. Dat komt voor een deel doordat we nou net niet willen voorschrijven. Daarmee creëer je soms ruimte voor misverstanden.” Daarnaast wijst Jonk op de rol van schoolleiding en bestuur. “Het komt voor dat schoolleiders denken: Ik krijg het niet voor elkaar bij mijn team, en dan zeggen ze maar dat het van de inspectie moet. Soms ook zetten besturen dat soort mechanismes in gang.”
Verschuilen
Liesbeth Verheggen, dagelijks bestuurder van de AOb, vindt dat partijen zich achter elkaar verschuilen. “De inspectie kan wel zeggen dat administreren van hen niet hoeft, maar van wie dan wel? Ik mis de werkgeversorganisaties in dit debat.” Verheggen wijst op het jaarlijkse gesprek dat de inspectie voert met het schoolbestuur. Voorafgaand aan dat gesprek levert het bestuur data aan over de school/scholen. “Het bestuur wil op basis van objectieve criteria aan de inspectie rapporteren. Via de schoolleiders dwingen zij die papierwinkel af.”
En hoe meer terreinen de inspectie wil checken, hoe groter de bewijslast wordt. Verheggen is daarom blij met het initiatiefwetsvoorstel van Tweede Kamerlid Roelof Bisschop (SGP). Want terwijl de inspectie druk bezig is met het testen van haar bredere toezichtkader, doen de Kamerleden Bisschop, Michel Rog (CDA) en Paul van Meenen (D66) verwoede pogingen de uitdijende inspectie-invloed in te dammen.
In Utrecht kwam Bisschop 20 maart zijn wetsvoorstel zelf toelichten op de algemene vergadering van de AOb. “Voor scholen is het onduidelijk geworden waar zij precies op beoordeeld worden door de inspectie. Je hebt wettelijke deugdelijkheidseisen en je hebt kwaliteitsaspecten waar de inspectie ook op controleert. Die laatste categorie is gegroeid en onherleidbaar verweven met de deugdelijkheidseisen in het toezichtkader. Dat moet teruggedraaid. De inspectie moet niet bepalen of jij frontaal-klassikaal lesgeeft of niet.”
In je eigen tijd
De aanwezige AOb-leden reageerden wisselend op de plannen van Bisschop. Erik Wormhoudt, leraar natuurkunde in Weesp, heeft bijvoorbeeld wél oren naar meer samenwerken met inspecteurs. “Van mij mag de inspectie breder kijken. Laat ze maar verplicht stellen dat scholen werken aan een verbetercultuur. Op basisscholen speelt dat misschien minder omdat teams kleiner zijn, maar als docenten in het vo samen willen praten over de koers van de school, moet je dat maar in je eigen tijd doen. Er is veel te weinig gelegenheid om te overleggen over onze gezamenlijke visie op onderwijs. Ik vind het niet erg als de inspectie die ruimte afdwingt.”
Nuchter
Jonk - ook aanwezig op de vergadering van de AOb - reageert nuchter op het initiatiefwetsvoorstel. “Wij hebben destijds van de Tweede Kamer de opdracht gekregen om te werken aan een nieuw, breder toezichtkader. Als het voorstel-Bisschop wordt aangenomen, zullen we elementen die haaks staan op onze koers opnieuw moeten bekijken. Maar in het voorstel staan ook dingen waar ik het heel erg mee eens ben: ruimte voor verschillende visies, niet sturen daarop. Voor ons is het de kunst om toezicht te ontwerpen dat niet uniformeert.”
Maar hoe gaat de inspectie die andere ambitie dan waarmaken: helder zijn? De teksten in het nieuwe conceptkader zijn bewust ‘vaag’, zodat scholen niet in een mal worden gegoten. Jonk: “Zo zou ik het nooit formuleren. We willen niet vaag zijn, maar wel ruim interpretabel. Want je moet er verschillende onderwijsvisies in kwijt kunnen.” En hoe kan de druk op het onderwijs omlaag, terwijl de normen voor eindopbrengsten – ook in het initiatiefwetsvoorstel van Bisschop – wettelijk verankerd blijven en dus deel uitmaken van het toezicht? Jonk: “Als het aan mij zou liggen hoeven opbrengstnormen geen deugdelijkheidseisen te zijn, maar daar ga ik niet over. Wel gaan we opnieuw bekijken hoe we de opbrengsten berekenen. Daar kan ik nu verder nog niks over zeggen.”
Geregeld grijpt de hoofdinspecteur naar het argument ‘het belang van de leerling’ om toe te lichten waarom de inspectie bepaalde onderwerpen beoordeelt of wil bevorderen. Jonk: “We noemen onszelf wel eens de vakbond van de leerlingen. Zo ervaar ik dat ook.”
Verheggen van de AOb reageert verbaasd. “Dat suggereert tegengestelde belangen tussen leraar en leerling. Een gevaarlijk uitgangspunt. De leraar wil het beste voor de leerling. Geef hem of haar de ruimte om dat zelf in te vullen.”
[kader]
Het nieuwe inspectietoezicht betekent:
- Minder indicatoren. Op dit moment heeft de inspectie voor elke onderwijssector minimaal vijftig indicatoren. Hoofdinspecteur Jonk: “Het boekje waarmee we precies bekijken of de school voldoet aan de opbrengstnormen, wordt een steeds dikker en ingewikkelder boekje. Steeds blijken er nieuwe situaties te zijn waarvan je denkt ‘goh, dat is toch ook niet de bedoeling’ en dan komt er weer een regel bij. Deze werkwijze wordt zo steeds ingewikkelder, voor ons en voor de scholen.”
- Zelfevaluaties. Als het aan de inspectie ligt gaan scholen en leraren elkaar de maat nemen. Doen ze dat structureel en kunnen ze daar bewijs van laten zien, dan trekt de inspectie zich terug. Of zelfevaluatie daarmee een officiële norm wordt, weet Jonk nog niet: “Dat hangt af van het tempo waarin het scholenveld zich ontwikkelt.”
- Didactisch handelen beoordelen. Nu gaat de inspectie alleen in de klas kijken als daar reden voor is, niet bij een standaard vierjaarlijks onderzoek. Het is de bedoeling dat dat straks wel gaat gebeuren. Jonk benadrukt: “Wij beoordelen niet de leraar, maar de les.” Verder voert hij aan: “Als we niet in de klas komen, zijn we pas echt van het papier.”
- Meer tekst, minder cijfers. In het nieuwe toezicht formuleert de inspectie standaarden en portretten. Een standaard is een zin waarin de inspectie samenvat wat ze op dat kwaliteitsgebied van de school verwacht. Bijvoorbeeld op het kwaliteitsgebied ‘schoolklimaat en veiligheid’ is één van de standaarden: ‘Schoolleiding en leraren waarborgen een veilige, respectvolle en betrokken omgeving voor leerlingen en leraren.’ In het bijbehorende portret wordt zo’n standaard uitgewerkt in een langer stukje tekst, met daarin zinnen als: ‘Schoolleiding en leraren voorkomen pesten, agressie en geweld in elke vorm en treden zo nodig snel en adequaat op.’ Komt wat de inspecteur ziet overeen met de tekst, dan luidt het oordeel ‘goed’.
In de AOb-enquête is gevraagd naar deze nieuwe werkwijze met standaarden en portretten. De reacties zijn wisselend. De een noemt de standaarden ‘meer open’, de ander juist ‘wollig’. Of de open vraagstelling in de praktijk gaat werken, vinden veel ondervraagden onzeker. Of zoals iemand het verwoordt: ‘Ik geloof er niet in dat de inspectie in staat is op deze manier te beoordelen. Uiteindelijk draait het bij de inspectie altijd om de papieren bewijslast.’
- Van drie naar vijf stempels. Nu beoordeelt de inspectie of de kwaliteit op een school voldoende is (‘basisarrangement’). Zo niet, dan zijn er de opties zwak of zeer zwak. Straks komen daar goed en excellent bij. Differentiëren is goed, maar in de ogen van het onderwijspersoneel vinden zoveel opties geen genade. Volgens meer dan de helft is een driedeling genoeg. Een kwart spreekt de nieuwe manier wel aan.
Wat vindt u van deze nieuwe normering?
Oude aanpak (zeer zwak, zwak, voldoende) is prima 9%
Drie varianten (zwak, voldoende, goed) is genoeg 56%
De nieuwe indeling (met goed en excellent) bevalt mij 23%
Geen mening 11%