- blad nr 6
- 21-3-2015
- auteur . Overige
- Redactioneel
Anti-pestcoördinator moet nut bewijzen
Tekst Desiree Hoving
Om het pesten tegen te gaan, moeten scholen vanaf komend schooljaar een vast aanspreekpunt hebben voor leerlingen en ouders. Zo staat het in de wetswijziging die staatssecretaris Dekker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap begin dit jaar presenteerde. Deze is bedoeld om de sociale veiligheid op scholen te verbeteren. In de wet staat dat zo’n ‘aanspreekpunt’ twee taken heeft: ten eerste het coördineren van het anti-pestbeleid. Dit houdt niet in dat er een wettelijk verplicht anti-pestprogramma moet komen, zoals de staatssecretaris eigenlijk had gewild. Scholen mogen zelf kiezen hoe ze het pesten aanpakken. Ten tweede moet de pestcoördinator de belangen van ouders en leerlingen in het kader van pesten behartigen. Met dat laatste bedoelt Dekker dat de anti-pestcoördinator een aanspreekpunt is voor leerlingen die worden gepest, voor hen die willen praten over een situatie waarin ze gepest worden en voor ouders die vragen hebben over pesten. Het moet duidelijk zijn waar iedereen terecht kan voor alles wat met pesten te maken heeft.
Vertrouwenspersoon
In de toelichting op het wetsvoorstel staat dat zo’n anti-pestcoördinator erg lijkt op een vertrouwenspersoon, iets wat de meeste scholen al hebben, maar wat tot nu toe nog niet verplicht was. Zo heeft 83 procent van alle basisscholen al een vertrouwenspersoon, 68 procent van de scholen in het voorgezet onderwijs en 80 procent van het (voortgezet) speciaal onderwijs. Het lijkt alsof er voor deze scholen dus niks verandert. Maar zo simpel is het niet: de twee bovengenoemde taken die aan de coördinator annex vertrouwenspersoon worden toegeschreven, stelt Dekker voortaan verplicht.
Heeft het nut om zo’n aanspreekpunt pesten en zijn taken te institutionaliseren? Of blijft alles bij het oude?
Docenten houden het op het laatste, zo blijkt uit een onderzoek dat EenVandaag eind vorig jaar deed. Van 300 docenten uit het voortgezet onderwijs dachten er vier op de vijf, dat de wet van Dekker weinig aan de praktijk zou veranderen. Waarom? De meerderheid was van mening dat er op hun school al zo’n aanspreekpunt voor gepeste leerlingen was. “Een mentor, afdelingsleider, vertrouwenspersoon, zorgcoördinator, die zijn er al! Dus wat verandert er?” riep Rondy de Wildt, docente aan het Dr. Knippenbergcollege in Helmond, tijdens het radiodebat dat plaatsvond na het onderzoek. EenVandaag ging helaas niet in op de twee nieuwe taken die bij zo’n aanspreekpunt horen. Daardoor lijkt het nu alsof scholen de volledige inhoud van de wet niet tot zich hebben genomen.
Zelfmoorden
Anke Visser, trainer bij het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, heeft daar een verklaring voor. “Scholen zijn ervan overtuigd dat ze al op een goede manier optreden tegen het pesten. Aanvankelijk waren ze enorm bereid om het pesten aan te pakken, na de zelfmoorden van Tim Ribberink en Fleur Bloemen in 2012. Maar die bereidheid nam af toen Dekker probeerde om ook bepaalde pestprogramma’s verplicht te stellen, terwijl heel veel scholen al jaren een eigen gekozen programma hebben, zoals de Kanjertraining of de Vreedzame school. In oktober 2014 haalde Dekker die verplichte programma’s uit zijn concept wetsvoorstel, maar sindsdien denken sommige scholen dat er helemaal niks meer hoeft.”
Maar waarom is een speciale anti-pestcoördinator dan toch zo belangrijk? Daarvoor moeten we terug naar het onderzoek van de commissie onder leiding van pestprofessor René Veenstra, die de oorzaken van de zelfmoord van Fleur Bloemen probeerde te achterhalen. Uit dat onderzoek bleek dat de samenhangende aanpak, systematiek en structuur op school ontbraken. Vervolgens zijn in de eerste maanden van 2013 ronde tafelgesprekken gevoerd, waarin duidelijk werd dat sommige ouders van een gepest kind zich van het kastje naar de muur gestuurd voelden. Daarnaast blijkt uit de klachten die elk jaar bij de landelijke klachtencommissies binnenkomen dat pestprotocollen -als die er al zijn– niet worden gevolgd. Om daar allemaal verandering in te brengen, stelde Dekker samen met de Kinderombudsman het ‘Plan van aanpak tegen pesten’ op, in maart 2013, waarin staat dat een anti-pestcoördinator nodig is om alles te coördineren en belangen te behartigen.
Omdat een anti-pestcoördinator een nieuwe rol is op scholen, startte Anke Visser in maart 2014 de eerste opleiding voor anti-pestcoördinatoren vanuit APS. In een powerpointslide vat ze samen wat zo iemand volgens haar zou moeten doen: “De anti-pestcoördinator coördineert een systematische en samenhangende aanpak van het pestgedrag en houdt contact met betrokkenen totdat het pesten is gestopt”. Verder vindt Visser het belangrijk dat een anti-pestcoördinator zichtbaar is. “Hang maar een foto bij de ingang van de school, ga de klassen langs en zorg dat je in de schoolgids en op de website staat. Dan weten ouders en leerlingen tenminste waar ze terecht kunnen”.
Zo’n foto heeft Jan Nicolaï, anti-pestcoördinator bij vmbo school Terra Meppel, nog niet opgehangen. Hij volgde die eerste opleiding van Visser. Wel hield hij afgelopen jaar twee keer een presentatie voor alle tachtig collega’s. “Dus iedereen weet dat hij bij mij moet zijn”, zegt hij aan de telefoon. Hij krijgt van zijn collega’s bovendien veel positieve reacties op zijn rol als anti-pestcoördinator, wat hij als steun in de rug ervaart. Tot nu toe –het is nu een jaar geleden dat hij de opleiding afrondde- is Nicolaï vijf of zes keer met de mentor van een gepeste leerling in gesprek gegaan, nadat een docent tegen zo’n mentor opmerkte dat iemand in zijn klas werd gepest.
Die mentor gaat dan eerst in gesprek met de gepeste en de pester om een beeld te krijgen wat er aan de hand is. Daarna bespreekt Nicolaï samen met hem de stappen die ze gaan zetten. Bovendien legt hij meteen een dossier aan en stopt daar verslagen van gesprekken in. “Door deze gestructureerde aanpak blijft er tenminste niks meer zweven in de organisatie”, zegt hij. “Vroeger monitorden we niet altijd of we ons anti-pestprotocol goed uitvoerden, waardoor we vaak niet precies wisten wat er thuis gebeurde en thuis niet wist wat er op school aan de hand was. Bovendien was de kans op herhaling groot, vooral als een leerling in een nieuw schooljaar een nieuwe mentor kreeg.”
Goede bedoelingen
Hans Kosterink is docent op het Twickelcollege in Borne. Hij heeft net één dag van de tweedaagse APS-opleiding voor anti-pestcoördinatoren gevolgd. “Aan het begin van de cursus zag ik voor me dat ik elk pestincident moest voorkomen of aanpakken”, zegt Kosterink. “Maar deze training maakt duidelijk dat ik veel meer moet gaan sturen. En dat is goed om te weten, want een anti-pestcoördinator is iets heel nieuws”. Wat gaat Kosterink straks doen als kersverse anti-pestcoördinator? “Ik realiseer me door deze opleiding dat er structuur moet komen in het hele woud van goede bedoelingen om gepeste kinderen te helpen. Wat nu nog te vaak gebeurt –en dan ben ik even heel gechargeerd- is dat we tegen de gepeste zeggen: zielepoot en tegen de pester: dat moet je niet meer doen. Met pappen en nat houden pak je het probleem niet aan. Ik wil straks als coördinator alle betrokkenen bereiken”. Of zijn school daarmee pestvrij wordt, daarover koestert Kosterink geen illusies. “Geen enkele school is pestvrij. Nu niet, nooit niet”, zegt hij.
Toch zou het pesten best een stuk minder kunnen, denkt Anke Visser. Maar alleen als scholen dat verplichte aanspreekpunt op het gebied van pesten serieus gaan nemen. “Als je goed naar pesten kijkt, kom je erachter dat het niet alleen iets tussen de gepeste en de pester is, maar dat ook de ouders, de leerkracht en het klimaat op school een rol spelen. Veel scholen zijn te veel hapsnap bezig, in plaats van het pesten systematisch te analyseren. En daar gaat het nou juist om: je moet niet zomaar aan een touwtje gaan trekken, want dan raakt het hele breiwerk in de knoop”, besluit Anke Visser.