- blad nr 6
- 21-3-2015
- auteur . Overige
- Redactioneel
Engelengeduld en concentratie
Tekst Richard Hassink
Als er op de basisschool waar Leonie Heijmans (37) werkte een ‘moeilijke’ leerling binnenkwam, dan popelde ze om het dossier door te nemen. “Mmm interessant, dacht ik dan, wat kunnen we met dit kind? Kinderen met een gedrags- en leerstoornis zo optimaal mogelijk laten leren, daar ligt voor mij de uitdaging.” Toen Heijmans in 2010 hoorde dat De Vogelhorst, school voor speciaal basisonderwijs in Barneveld, een leerkracht zocht, waagde ze de sprong naar het speciaal basisonderwijs (sbo). Een sprong waar ze nooit spijt van heeft gehad.
Hetzelfde geldt voor Tineke Timmer (48)uit Veenendaal die al 25 jaar in het sbo werkt. Ook zij koos voor dit type onderwijs vanwege de uitdaging. “Heb je als kind in Nederland een redelijk goed stel hersens, dan red je het wel in het basisonderwijs. Maar als je dat mist en je groeit op in een zwak milieu en je hebt ook nog eens een beperking, dan is het een heel ander verhaal.”
Timmer werkte slechts drie maanden in het basisonderwijs voor ze de overstap maakte; voor Marlon Demon (49), leerkracht bij SBO De Driesprong in Amsterdam, was dat drie jaar. “Het klinkt misschien gek maar na die drie jaar was ik uitgekeken op het basisonderwijs. Het ging ook allemaal veel te gemakkelijk. Hier word ik op de proef gesteld, daar werd ik dat niet.” Intussen werkt Demon alweer vijftien jaar bij De Driesprong en wordt hij nog elke dag uitgedaagd.
Volgens Heijmans is lesgeven in het sbo compleet anders. “Ik kan soms bij binnenkomst aan de kinderen al zien wat voor dag het wordt. Soms is er thuis iets gebeurd of hebben ze er gewoon even geen zin in. Dan kan ik wel vasthouden aan mijn lesprogramma voor die dag, maar dan bereik ik sowieso mijn doel niet. Ik gooi het dan om en ga bijvoorbeeld eerst naar buiten met de kinderen of ik doe een bewegingsspelletje.”
Timmer en Demon bevestigen dat een flexibele instelling en engelengeduld broodnodig zijn in het sbo. “En je moet natuurlijk kennis hebben van de gedrags- en leerstoornissen van de kinderen”, zegt Timmer. “Daarvoor heb ik een aanvullende opleiding gevolgd waarbij zaken als de achtergronden van autisme, de werking van de hersenen en het omgaan met gedragsproblemen aan bod komen.”
Afkoelstoel
Ondanks alle kennis en ervaring kom je als leerkracht in het sbo in onverwachte en confronterende situaties terecht. Demon: “Het komt geregeld voor dat een kind uit onmacht heel erg boos wordt. Ik maak op zo’n moment altijd oogcontact, ook om te zien hoe de stemming is. Als er heel veel woede is, houd ik afstand. Als ik de woede zie zakken, probeer ik een ingang te vinden en het kind tot rede te brengen.” Toch wordt het bij Demon op school ook weleens fysiek, omdat niet alle leerlingen voor zijn aanpak openstaan. Heijmans herkent dat. “In zeven jaar basisonderwijs heb ik nooit een handgemeen meegemaakt, maar hier gebeurt dat inderdaad vaker. Onze directeur zegt altijd ‘de kinderen zitten hier niet voor hun zweetvoeten’ en daar schuilt waarheid in. Soms bereik je een kind niet en dan moet je hem weleens vastpakken om hem bijvoorbeeld de klas uit te krijgen.”
Op SBO De Windroos in Veenendaal waar Timmer lesgeeft, hebben ze een methode voor sociale emotionele ontwikkeling, ‘De Vreedzame School’. “Het eerste jaar zagen we niet veel vooruitgang, maar nu het in de lessen wordt toegepast, merken we dat er minder conflictsituaties zijn.” Leerkrachten proberen het kind in zo’n situatie zo min mogelijk aan te raken. “Als je ziet dat een kind heel boos wordt, laten we hem op een afkoelstoel tot bedaren komen, voordat we met hem gaan praten.” Timmer is die conflictsituaties het liefst voor. “Heeft een kind regelmatig woedeaanvallen, dan kun je beter gaan kijken naar de oorzaken. Medicatie kan op zo’n moment ook uitkomst bieden.”
Tv-documentaire
De drie leerkrachten zien in hun werk regelmatig schrijnende situaties. In het begin zeker, maar ook nu ligt Heijmans er soms wakker van. “Vroeger keek ik weleens documentaires op tv over ontspoorde kinderen, nu zit ik daar zelf soms in. Dan gaat het bijvoorbeeld om kinderen met een heel moeilijke thuissituatie of die niet meer thuis wonen en waar politie en jeugdzorg bij betrokken zijn. Ik broed dan in mijn vrije tijd weleens op de juiste aanpak.”
Demon doet dat nooit. “Dat heb ik met mezelf afgesproken. Ik blijf net zo lang op school, soms wel tot zeven uur, tot ik een probleemsituatie verwerkt heb. En dan fiets ik naar huis en maak ik mijn hoofd helemaal leeg.” Dat lukt Timmer ook, alhoewel ze elk jaar wel een moment heeft dat een situatie haar zo aangrijpt, dat ze het kind dan het liefste mee naar huis neemt om het rust en liefde te geven. “Maar dat kan natuurlijk niet. Je moet die zorgen op school laten, anders draai je door. En je hoeft het ook niet alleen te doen, we kijken dan samen met anderen binnen de school of er oplossingen zijn. Met de orthopedagoog, de intern begeleider en de schoolpsycholoog.”
Ook Heijmans deelt haar zorgen en bevindingen met de andere professionals op school. “Soms beginnen kinderen in een kringgesprek in één keer te vertellen over hun traumatische ervaringen. Ik ga daar op dat moment niet diep op in, ook om de andere kinderen te beschermen. Later bespreek ik zoiets met het kind maar ook intern met de orthopedagoog en de psycholoog, en natuurlijk met de ouders of pleegouders. Maar ik moet dat uiteindelijk wel uit handen geven, ik ben geen therapeut.” Toch is er een spanningsveld omdat je er ook voor wilt zorgen dat het kind zich geestelijk goed voelt, vindt Demon. “Als een leerling goed in zijn vel zit, staat hij veel meer open om dingen te leren. En uiteindelijk is dat jouw taak als leerkracht.”
Scherp zijn
Heijmans, Timmer en Demon zitten nog vol energie, maar zien ook uitval van leerkrachten om zich heen. “Veel collega’s die al lang voor de klas staan, vinden dat het sbo steeds zwaarder wordt”, zegt Heijmans. “Ze merken dat de kinderen mondiger worden en sneller ondersteuning vragen, en dat de administratie en werkdruk toenemen.” Daar komt bij dat ook in het sbo de groepen groter worden door allerlei bezuinigingen. En leerlingen vragen opperste concentratie. “Je moet scherp zijn, elke dag”, zegt Demon. “Anders halen ze je genadeloos onderuit. Daar hebben sommigen een zesde zintuig voor.”
Aan de andere kant geniet Demon bijna dagelijks van zijn werk. “Mijn grootste kick is als ik merk dat ik kinderen echt bereik en dat ze actief meedoen.” Heel herkenbaar, vindt Timmer. “Als een kind na een lange worsteling ineens een bepaalde schrijfbeweging maakt… Geweldig! Zeker als je de ouders dan ook ziet meegenieten.”
Scholen voor speciaal basisonderwijs krijgen het de komende jaren waarschijnlijk een stuk moeilijker. De intrede van ‘passend onderwijs’ in het basisonderwijs zou tot een lagere instroom kunnen leiden. Heijmans maakt zich daar weleens zorgen over. “Het zou zo zonde zijn als het sbo verdwijnt, want het is voor veel kinderen zo’n mooie tussenoplossing. Speciaal onderwijs is voor veel leerlingen weer een stap te ver. Op cluster 3 of 4-scholen worden ze misschien naar beneden getrokken. Of kruipen ze in hun schulp, omdat ze zich niet op hun plek voelen.”
{kader}
Mannen in het sbo
Het speciaal basiconderwijs is sinds 1998 de vervanger van scholen voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (LOM-onderwijs), moeilijk lerende kinderen (MLK-onderwijs) en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (IOBK). Verwar het speciaal basisonderwijs niet met het speciaal onderwijs, bedoeld voor kinderen die blind zijn of slechtziend (cluster 1) doof, slechthorend of kampen met ernstige spraak- of taalproblemen (cluster 2), kinderen met een verstandelijke beperking, lichamelijke beperking of chronische ziekte (cluster 3) of kinderen met gedragsstoornissen, ontwikkelingsstoornissen of een psychiatrisch probleem(cluster 4).
In Nederland zijn nu 288 sbo-scholen met ongeveer 38.000 leerlingen. Er werken 8600 mensen in het sbo. Twintig procent is man, beduidend meer dan in het reguliere basisonderwijs (10 procent). De beloning van leerkrachten in het sbo is één schaal hoger dan die van leerkrachten in het basisonderwijs. Met reden, want als leerkracht in het sbo moet je extra geschoold zijn. Bovendien is het werk veelal complexer.
{kader}
Minder sbo-scholen
De laatste vijf jaar zijn er 24 scholen (van 312 naar 288) voor speciaal basisonderwijs verdwenen. Volgens Jan van Etten, voorzitter van het SBOwerkverband, heeft dat meerdere oorzaken. Een daarvan is krimp. “Als je als sbo-school met je leerlingenaantal door een bepaalde ondergrens zakt, kun je niet meer het gewenste onderwijs bieden met de extra ondersteuning bijvoorbeeld op het gebied van logopedie, orthopedagogiek en schoolmaatschappelijk werk. Daarom zijn verschillende scholen opgegaan in een groter geheel.”
Daarnaast speelt de politiek een bepalende rol in de terugloop. “Het ministerie van onderwijs wil dat leerlingen met een extra onderwijs-ondersteuningsbehoefte binnen het regulier basisonderwijs kunnen blijven. Op zich is dat ook het meest ideaal. Het probleem is echter dat daarvoor nog geen voorwaarden geschapen zijn. Als je dat als basisschool wilt doen, moet je eerst de expertise van je team opkrikken en met kleinere groepen gaan werken om leerlingen de juiste aandacht en ondersteuning te kunnen geven. Daarvoor ontbreekt nog veelal de expertise en het geld.”
Het SBOwerkverband ziet een toenemend aantal schrijnende gevallen. “Veel ouders laten ons weten dat zij hun kind graag naar een sbo-school zien gaan, maar dat de basisschool zegt nog niet handelingsverlegen te zijn, terwijl er allerlei problemen met het kind zijn. Ook merken we dat leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte later worden doorverwezen, in groep 5, 6 of 7. Daardoor loop je vaak achter de feiten aan.”