• blad nr 4
  • 21-2-2015
  • auteur J. Poortvliet 
  • Redactioneel

 

Passend onderwijs bestaat vooral op papier

Een leerling weigeren of van school verwijderen gaat minder makkelijk sinds de invoering van de wet passend onderwijs. De nog jonge wetgeving eist voorafgaand aan zo’n beslissing meer feiten en meer onderbouwing. “Tot nu levert passend onderwijs vooral een hoop extra papierwerk op.”

Het valt nog mee, zeven zaken in een half jaar tijd. Hoogleraar onderwijsrecht Paul Zoontjens verwacht meer drukte voor de Geschillencommissie passend onderwijs. “De golf moet nog komen. Deze ouders lopen voor de troepen uit.” Tegelijk constateert Zoontjens een soort apathische houding in het onderwijs. “Scholen zijn voorzichtig. Je gaat niet teveel documenten opstellen en afspraken maken als je niet kunt overzien wat de gevolgen zijn. De situatie op dit moment is als een konijn die midden op de weg in de koplampen van een auto staart. Wettelijk is passend onderwijs van start, maar iedereen lijkt stil te zitten.”
Ina van der Schuur herkent dat scholen nu nog op oude zorgstructuren en bijbehorende personen terugvallen. Mits deze nog op hun plek zitten uiteraard. Van der Schuur is vijftien jaar ib-er geweest, werkt op een school voor anderstaligen en geeft als AOb-consulent voorlichting over passend onderwijs in de noordelijke provincies. “Ib-ers bellen zich een slag in de rondte. Bij wie moet ik nu zijn als ik een orthopedagoog, of een psycholoog wil inschakelen?” Ook vóór passend onderwijs moest een leraar uitzoeken wat er met een leerling aan de hand was als onderwijs geven lastig werd. Of als een kind met ‘extra zorgbehoefte’ werd aangemeld. En ook toen al moest de leraar, ib-er of zorgcoördinator onderzoeken (laten) uitvoeren en formats invullen. Alleen ligt die onderzoeksplicht nu wettelijk bij de school. En is die een stuk zwaarder geworden, zo blijkt ook uit de zaken van de Geschillencommissie (zie kader).

Bewijslast
Een kleine analyse laat zien dat de commissie steevast meer bewijslast van de school vraagt. Scholen moeten volgens strakke criteria voor elk individueel kind uitzoeken wat precies de ‘ondersteuningsbehoefte’ is. Vervolgens moet de school aantonen of zij zelf in die behoefte kan voorzien. En als dat niet het geval is – als de conclusie bijvoorbeeld luidt: speciaal onderwijs (so) is voor dit kind toch de beste plek - dan moet de school de werkwijze van de so-school in de buurt paraat hebben of uitzoeken. Want de commissie stelt: het is aan de school waar het kind is aangemeld of waar het kind niet langer onderwijs krijgt, om aan te tonen dat de so-school in de buurt wél de ondersteuning biedt die past bij de individuele zorgbehoefte van dit specifieke kind (zie zaak nr. 3).
De onderzoeksplicht weegt zwaar, beaamt Stephan Schellens, coördinator passend onderwijs bij de stichting Onderwijsgeschillen. Al is de daaruit volgende werklast geen onderwerp voor de juristen en andere deskundigen die zich over de geschillen buigen. “We proberen bij te houden wat scholen met ons advies doen, maar krijgen tot nu toe geen signalen over toegenomen werkdruk. Wij merken vooral dat het veld behoefte heeft aan duidelijke uitspraken, zodat mensen weten wat ze precies moeten doen om aan de wet te voldoen.”
Paparassen produceren dus, constateert Van der Schuur. Het schrijven van bijvoorbeeld een ontwikkelingsperspectief (opp, voorheen handelingsplan) kost ontzettend veel tijd, stelt de voormalige ib-er. Dit onderzoeksdocument is nieuw voor reguliere scholen en bevat meer onderdelen. Van der Schuur: “Alleen al de beschrijving van wat erin moet staan is zestien pagina’s. Tot nu levert passend onderwijs vooral een hoop extra papierwerk op.” De wet mag dan zijn ingegaan, teams moeten het doen met dezelfde mensen als vorig jaar. Van der Schuur: “Ik merk vooral dat men zucht: moet dat allemaal? En moet het nu al? Niet dat het ze niet interesseert, maar met name de leraren zijn zo gefocust op hun relatie met de kinderen in de klas, op hun dagelijkse werk. Alles wat daar buiten valt aan papierwerk en documenten is gewoon minder belangrijk.”

{Kader met uitspraken, eventueel met aparte kop}

Zeven uitspraken
De Geschillencommissie passend onderwijs heeft tot nu toe 26 ‘verzoekschriften’ binnengekregen. In zeven zaken is een oordeel geveld.


1. Onderzoek vereist
De kwestie: Een basisschool in Noord-Holland wil niet verder met een 10-jarige leerling met het syndroom van Down. Leraren kunnen het gedrag van het kind niet meer aan.
Oordeel geschillencommissie (juli 2014):
Dit gaat zomaar niet. Een school mag een leerling pas verwijderen nadat ze aantoonbaar en actueel onderzoek heeft gedaan naar het probleemgedrag van het kind, bijvoorbeeld in het ontwikkelingsperspectief (opp). De school in kwestie had dat verzuimd.

2. Schooladvies genegeerd
De kwestie: In het laatste jaar van de basisschool schrijven ouders hun kind, met adhd, in op een reguliere vmbo-school. Dit gebeurt conform het advies van de basisschool. Het vmbo verwijst het kind naar een opdc.
Oordeel geschillencommissie (september 2014):
Mag niet. De vmbo-school had zich aan het advies van de basisschool moeten houden. Aangezien de leerling leerwegondersteuning (lwoo) heeft gekregen, is een opdc een graadje te zwaar. Ook had de school niet onderzocht of zij aanpassingen voor de adhd-er op de school zelf had kunnen doorvoeren.

3. Zorgplicht verzaakt
De kwestie: Ouders van een hoogbegaafde leerling met Asperger melden hun zoon aan bij een regulier gymnasium in Hilversum. De school laat de jongen niet toe en zegt dat hij in het speciaal onderwijs vwo kan volgen.
Oordeel geschillencommissie (oktober 2014):
Het gymnasium heeft op allerlei manieren haar zorgplicht verzaakt. De school heeft niet uitgezocht wat voor ondersteuning de jongen precies nodig heeft. De ouders zijn hier niet over benaderd. En ook de timing klopte niet. Op het moment dat de school de leerling weigerde was hij nog niet officieel toegelaten in het so. Het gymnasium had bovendien moeten uitzoeken welke ondersteuning de so-school de jongen kan bieden en of dat toereikend is voor hem.

4. Meisje terecht verwijderd
De kwestie: Een opdc laat een leerling met selectief mutisme (weinig tot niet spreken in openbare situaties) niet meer toe tot het reguliere lesprogramma. Het meisje ontvangt ‘s ochtends individuele begeleiding van een psycholoog, daarna gaat zij naar huis. Haar ouders zijn het hier niet mee eens.
Oordeel geschillencommissie (november 2014):
Het opdc heeft voldoende onderzoek gedaan naar het gedrag van de leerling. Zij blijkt inderdaad niet in staat het klassikale onderwijs op het opdc te volgen. De ouders worden in ongelijk gesteld.

5. Autist uitsluiten mag niet
De kwestie: Een leerling met autisme (PDD-NOS) doorloopt de basisschool zonder rugzakje en wordt aangemeld op een reguliere mavo. De school laat de ouders weten hun kind niet te plaatsen, omdat zij geen ondersteuning biedt aan kinderen met autisme.
Oordeel geschillencommissie (december 2014):
Dit mag niet. Uit de aanmelding bleek dat het kind extra ondersteuning nodig had, maar niet precies welke. Het is aan de school om dat per individuele aanmelding uit te zoeken en vervolgens te bepalen of zij de specifieke ondersteuning zelf kan bieden. Categorieën bij voorbaat uitsluiten mag niet.

6. Overleg met ouders vereist
Met twee broers, onderdeel van een drieling, gaat het niet goed. Ze zitten in groep zes op een reguliere basisschool in Zoetermeer en vertonen gedragsproblemen en kenmerken van depressie. De school zegt ‘handelingsverlegen’ te zijn en stelt voor de ene jongen dagopvang voor, en voor zijn broer speciaal onderwijs.
De geschillencommissie oordeelt (januari 2015):
De school moet de zaak opnieuw bekijken. De volgorde van handeling klopt niet. Voordat een school nog maar denkt aan het verwijderen van een leerling, moet ze in overleg met de ouders ontwikkelingsperspectieven (onderzoeken) opstellen. Dat was niet op tijd gebeurd.

7. Eerste aanmelding telt
Ouders horen afgelopen zomer dat hun kind per augustus officieel wordt verwijderd van de reguliere basisschool. De jongen zit dan al meer dan een half jaar thuis. Hij zou kampen met taalontwikkelingsproblemen, gehoorproblemen, zwakbegaafde cognitieve vermogens, benedengemiddelde intelligentie en een disharmonisch intelligentieprofiel. Zijn ouders melden hem in oktober – na de start van passend onderwijs – op twee reguliere basisscholen aan. Als eerste op een school van ander schoolbestuur en vervolgens ook op een school die onder hetzelfde bestuur valt als waar hun zoon in eerste instantie is verwijderd. Wanneer de jongen bij die laatste school wordt geweigerd, dienen de ouders een geschil in.
De geschillencommissie oordeelt (januari 2015):
De wettelijke zorgplicht ligt bij het schoolbestuur waar het kind als eerste is aangemeld. De commissie kan daarom geen uitspraak doen over de weigering bij school nummer twee.


Geen categorieën, maar kansen
Het schoolondersteuningsprofiel (sop). Een gedrocht van een woord. Maar scholen kunnen er niet omheen. Officieel hoort het document al sinds augustus op hun websites te staan. Bovendien is het juridisch een belangrijke tekst, waarin teams zelf de grenzen aan kunnen geven van wat zij kunnen bieden. Of toch niet? Begin januari adviseert de Geschillencommissie het document ‘meer in lijn te brengen met de uitgangspunten van passend onderwijs’. Dus a.u.b. geen uitspraken in het sop zoals: ‘Wij kunnen leerlingen met ernstig sociaal-emotionele problematiek of andere (gediagnosticeerde) beperking zeer beperkt plaatsen’, zoals de school in zaak nr. 5 deed. “Het categoriseren van kinderen is het ‘oude denken’,” zegt Stephan Schellens van coördinator passend onderwijs van de Geschillencommissie. Het sop moet ingaan op wat een school wél kan, stelt ook hoogleraar onderwijsrecht Paul Zoontjens: “Dus bijvoorbeeld: ‘De school biedt te allen tijde een rustig en ordelijk klimaat’. Daaruit blijkt dan dat de school ideaal is voor adhd-ers bijvoorbeeld.” Maar die wil je toch niet en masse aantrekken? “Nee, maar je mag ze ook niet als groep uitsluiten. Elk kind met een extra ondersteuningsbehoefte moet apart en opnieuw worden beoordeeld.” Op zich mag je als team in het sop wel opschrijven wat je níet kan, zegt Zoontjens, mits dat in relatie staat tot wat je wél biedt. Zoontjens: “Wanneer een school zich als heel rustig, overzichtelijk en veilig afficheert kun je vervolgens aangeven dat specifieke aandacht voor lichamelijk gehandicapte kinderen daarbij niet past. Dat het dan – kort door de bocht – te onrustig wordt voor de adhd-ers en dat je daarom lichamelijk gehandicapte kinderen niet de gewenste ondersteuning kunt bieden.”



Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.