• blad nr 13
  • 1-7-2000
  • auteur . Overige 
  • Column

 

Het effect van yoghurt

Minstens tien jaar geleden werd in de kranten bericht over een onderzoek naar de effecten van yoghurt op de gezondheid. Ik weet niet meer wat je ervan kreeg, maar het was vrij ernstig. Er zat een goedje in yoghurt dat je maar beter niet kon eten. Paniek bij de verantwoordelijken in de gezondheidszorg en de winkeliers. Als ik me goed herinner, hebben de schappen waar normaal de yoghurt te vinden is een tijdje leeggestaan. Nu eten we weer volop yoghurt, gewoon dezelfde als toen. Schadelijke goedje weggetoverd? Nee hoor, het zit er nog. Het blijkt alleen minder schadelijk dan het leek. De onderzoekers hadden in hun strenge experimentele design het goedje waarvan ze het effect wilden bestuderen ­ de factor X ­ geļsoleerd en inderdaad een schadelijk effect gevonden. Maar wat ze niet hadden gedaan, is kijken naar andere voedingsstoffen in de yoghurt die hele goede, gezonde gevolgen hebben en die misschien het effect van de factor X compenseren of afzwakken. Zo eenzijdig, monocausaal, redeneren ook sommige onderzoekers over de invloed van genen op het menselijk gedrag. Stel, yoghurt = intelligentie, het effect van yoghurt op de gezondheid = schoolprestatie en het schadelijke stofje = genen waarin een bepaald (on)vermogen van de leerling geprogrammeerd ligt. De monocausale keten is dan: genen Ž intelligentie Ž schoolprestatie. Alsof schoolsucces en intelligentieverschillen tussen mensen al geheel geprogrammeerd zijn in de genen. De naļeve analogie is: blauwe ogen en blond haar liggen vast en net zo is dat met de genen die intelligentie en schoolsucces bepalen. Gelukkig¹, zo redeneren de genetici en testpsychologen, kunnen we tegenwoordig niet alleen de intelligentie objectief meten, maar ook haar determinanten: de genen.¹ Het ontslaat hen van de plicht zich bezig te houden met die enge black box die intelligentie is.
Het probleem is dat het begrijpen van zoiets gewichtigs als intelligentie al bijna een eeuw lang wordt geclaimd door wetenschappers die eigenlijk niet willen weten wat intelligentie is en hoe die zich ontwikkelt. Want het zou toch eens over bewustzijn kunnen gaan. Daar mag je het sinds de kritiek op Freud niet meer over hebben. Nu was Freud bepaald niet de gemakkelijkste en had hij het weinig over intelligentie, maar eerder over de situaties waarin intelligentie juist geblokkeerd raakt, bijvoorbeeld vanwege driften of trauma¹s. Zo is er een stammenstrijd ontstaan tussen onderzoekers van het bewustzijn (de denkpsychologie) en de genetici en testpsychologen (differentiėle psychologie) die zich tot het objectief meetbare beperkten. En aan gepolariseerde mensen gaan nieuwe ontwikkelingen voorbij.
Daaroverheen is dan nog eens het nature-nurture-debat gekomen tussen enerzijds sociologen en sociaal- en cultuurpsychologen, en anderzijds testpsychologen en genetici. In dat debat gaat het om de vraag of de intelligentie vastligt, of juist door de omgeving wordt gevoed. Velen nemen in deze kwestie tegenwoordig een interactiestandpunt in. Helaas voor onderwijsgevenden is dat vaak weinig specifiek over welke omgevingsinvloeden dan de intelligentieontwikkeling bevorderen. Ook dat maakt het moeilijk intelligentie zelf te doorgronden en dus ook om schoolsucces te bevorderen. Bovendien lijken veel alledaagse ervaringen eerder de nature-stelling te bevestigen. Er zijn toch allochtone en kansarme leerlingen die een vwo-advies krijgen? Nou, dan zijn die dus mooi hun omstandigheden ontstegen. Dankzij hun genen. Een andere verklaring is er niet volgens deze ervaringswijsheid.
Om de verwarring compleet te maken ­ verwarring lijkt me voorlopig ver te prefereren boven de schijnduidelijkheid van genetici en ervaringsdeskundigen ­ vertel ik u enkele resultaten uit ons onderzoek. Dat betreft het leren van allochtone en autochtone leerlingen in het studiehuis (vierde klassen havo en vwo). Allochtonen zijn in havo en vwo minder goed vertegenwoordigd dan autochtone leerlingen. Het blijkt dat allochtone leerlingen hoger scoren op zelfstandig leren dan autochtone leerlingen, vooral op Œmetacognitieve zelfregulatie¹ en het Œzelfstandig representeren van de stof¹. Ook zijn ze gemotiveerder. Daarnaast is er een intelligentietest (verbale en wiskundige intelligentie) afgenomen. Daarop scoren de allochtone leerlingen juist slechter, ook op wiskundige intelligentie. Wel is duidelijk dat de allochtone leerlingen gemiddeld uit een lager sociaal milieu komen. Tot onze verbazing vinden we geen verband tussen zelfstandig leren en de gemeten intelligentie. Letten we op de rapportcijfers, dan zijn de gemiddelden van allochtonen en autochtonen gelijk.
Bent u het spoor bijster? Welja, intelligentie is ook ingewikkelder dan yoghurt.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.