• blad nr 18
  • 22-11-2014
  • auteur D. van 't Erve 
  • Redactioneel

Plan voor ontvlechting van so en vso  

‘Een enorme klus met veel administratief gedoe’

Het voortgezet speciaal onderwijs wordt afgescheiden van het speciaal onderwijs. OCW is bezig de wet hiervoor te veranderen. “Daar wachten we al jaren op”, juicht de een. “Waarom weggooien wat goed is?”, verzucht een ander.

‘OCW start een wetstraject gericht op de ontvlechting van het so en vso’, luidt de afspraak uit de sectorakkoorden primair en voortgezet onderwijs. Ofwel: het voortgezet speciaal onderwijs valt straks onder de Wet op het voortgezet onderwijs en het speciaal onderwijs onder die op het primair onderwijs.
De discussie hierover is niet nieuw. Al jaren zijn de vele kleine, zelfstandige scholen voor voortgezet speciaal onderwijs de overheid een doorn in het oog. Zo wilde staatssecretaris Netelenbos (PvdA) de scholen in 1996 al en masse laten fuseren met gewone scholen voor voortgezet onderwijs. Dat plan sneuvelde voortijdig op de ernstige bezwaren van scholen en ouders dat hun kinderen het simpelweg niet gaan redden op een grote school, met grote klassen en veel verschillende docenten.

Toetsen
De scholen voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom) en voor moeilijk lerende kinderen (mlk) zijn vervolgens als eerste opgenomen in de Wet op het voortgezet onderwijs. In 2002 werden dit de reguliere leerwegen: leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs. Het overige (voortgezet) speciaal onderwijs kreeg toen nieuwe regelgeving: de Wet op de expertisecentra (wec), waarmee het onderwijs werd onderverdeeld in de huidige vier clusters (zie kader).
Deze wet geldt nog steeds. Met de invoering van passend onderwijs in augustus zijn de regionale expertisecentra echter opgeheven en vallen de (v)so-scholen onder de regionale samenwerkingsverbanden. Zij bepalen nu de toelating van leerlingen met een ernstige handicap of zware problematiek tot deze scholen. Omdat er samenwerkingsverbanden voor primair onderwijs en voor voortgezet onderwijs zijn, zijn ook de (v)so-scholen formeel gezien al verdeeld over deze sectoren.
Het (voortgezet) speciaal onderwijs gaat bovendien inhoudelijk steeds meer op het reguliere onderwijs lijken. Sinds 2012 heeft het bijvoorbeeld ook kerndoelen en toetsen en biedt het vso ook diplomagericht onderwijs.

Meer verdienen
Kortom, de tijd lijkt rijp om het (voortgezet) speciaal onderwijs nu onder de reguliere wetgeving te laten vallen. En dat is het op zich ook, vindt Albert Boelen, beleidsadviseur bij het Landelijk Expertisecentrum Speciaal Onderwijs (LECSO) en de PO-raad. Hij heeft net de eerste bijeenkomsten met OCW, de PO-raad en de VO-raad gehad, waarin de wetswijziging wordt voorbereid. “De wec is gestoeld op regelingen in het primair onderwijs. In feite valt het vso dus zowel met de arbeidsvoorwaarden als de huisvesting onder het regime van het primair onderwijs. Dat betekent dat docenten soms op hetzelfde niveau lesgeven als in het reguliere voortgezet onderwijs, maar niet volgens de cao-vo betaald kunnen worden. Er zijn scholen die moeite hebben om een vakdocent te benoemen omdat die op een reguliere school meer kan verdienen.”
Ook de huisvesting zorgt voor problemen: een vso-school heeft net als het praktijkonderwijs goede praktijklokalen nodig, de bekostiging daarvoor laat nu te wensen over. Boelen: “Sommige scholen willen liever vandaag dan morgen bij het reguliere voortgezet onderwijs horen.”

Dagbesteding
“Aan de andere kant zijn er vso-scholen voor leerlingen met een heel laag ontwikkelingsniveau”, vervolgt Boelen. “De docenten bereiden er de leerlingen voor op dagbesteding, in plaats van op vervolgonderwijs. Deze scholen zitten helemaal niet te wachten op een vo-regime.”
Een ander probleem is dat veel (v)so-scholen klein zijn, gemiddeld 115 leerlingen. Opsplitsen in twee scholen voor so en vso betekent dat beide scholen onder de opheffingsnorm kunnen komen. Blijven ze één school, dan krijgt het team alsnog te maken met twee verschillende cao’s. Boelen: “Dat wordt als lastig ervaren, maar het hoeft niet ingewikkeld te zijn. We zouden een regeling voor een bepaalde groep mensen kunnen afspreken. Daarvoor gaan we graag met de vakbonden om tafel.”
Alle genoemde punten worden zorgvuldig bekeken, belooft Boelen. “Een wetstraject duurt gemiddeld zes jaar, dus die wet is er niet zomaar. We gaan eerst goed onderzoeken wat we verstaan onder ontvlechting, wat dat betekent voor de scholen, welke aanpak het beste is en wie dat gaat betalen.”


{kader 1}

‘Splitsen wordt makkelijker’

Leendert de Boom is voorzitter van het college van bestuur van Renn4 in Noord-Nederland. Deze organisatie heeft dertig (v)so-locaties voor leerlingen met beperkingen in gedrag en/of psychiatrische problematiek (cluster 4).
“We bieden onderwijs voor leerlingen van vier tot achttien jaar. De belevingswereld van een kleuter is totaal anders dan die van een puber, en dat vraagt om een ander schoolklimaat en gebouw. Een aantal jaren geleden hebben we daarom onze scholen al uit elkaar gehaald en dat heeft beide doelgroepen goed gedaan. Dat is een ingewikkeld proces en vraagt veel overleg met de uitvoeringsinstantie DUO. Door de wetswijziging wordt splitsen makkelijker. Bovendien krijgen we daardoor toegang tot meer faciliteiten voor het vso. Wil je het onderwijs nu up-to-date houden met goed ingerichte praktijklokalen, dan zul je moeten bijleggen. Mooi is ook dat we eerstegraads en tweedegraads bevoegde collega’s in het vso straks hetzelfde salaris kunnen bieden als in het reguliere onderwijs.
Maar niet alles zie ik zo rooskleurig, er zijn ook knelpunten. Een school moet bijvoorbeeld wel een bepaalde omvang hebben om verantwoord te kunnen splitsen. Bij ons is dat op één locatie niet gelukt. Te kleine scholen maakt klein en kwetsbaar. Ik snap de weerstand van die scholen dan ook heel goed.”

{Kader 2}

‘Welk kind is hierbij gebaat?”

Rion Pennings is voorzitter van het college van bestuur van ZML Noordoost-Brabant, een bestuur met vijf (v)so-scholen voor leerlingen met verstandelijke beperkingen, al dan niet in combinatie met lichamelijke, sociaal-emotionele en psychiatrische problemen (cluster 3).
“Het is de zoveelste verandering die het speciaal onderwijs raakt. Voor de categorie kinderen met een hoge cognitieve ontwikkeling zou ik zeggen: morgen doen! Maar gaan we nou het hele (v)so voor zo’n kleine groep op de kop zetten?
ZML is een bodemvoorziening; veel kinderen vinden het heerlijk, veilig en vertrouwd om op één locatie naar school te blijven gaan. Bovendien gaat het om kleine scholen met gemiddeld honderd leerlingen. Hoe kunstmatig is het om deze scholen te gaan splitsen, welk kind is hierbij gebaat? We hebben nu een doorgaande lijn van po naar vo, iets waar het regulier onderwijs enorm mee worstelt. Waarom gaan we iets wat goed is, weggooien?
De nieuwe wetgeving leidt tot bureaucratie en onrust. In het speciaal onderwijs moet een leerkracht het hebben van zijn pedagogisch handelen, en niet van vakinhoud. Er is niemand die voor een paar rotcenten meer naar het vo zal vertrekken. Maar ik zit als bestuurder straks met twee cao’s, met verschillende vakanties, en vast ook met twee verschillende inspectiecontroles. Er gaat bestuurlijk gezien dus veel tijd in zitten, die we beter aan de kinderen en het onderwijs kunnen besteden. Natuurlijk zijn er kinderen die het fijn vinden om net als hun broertje of zusje naar de grote school te gaan. Daar waar het kan en goed is, zorgen we voor aparte locaties voor so en vso. Dat regelen we nu zelf al, daar is geen aparte wetgeving voor nodig.”

{kader 3}
‘Een enorme klus’

AOb-bestuurder Albert Krist ziet nogal wat haken en ogen om de ontvlechting wettelijk te regelen. “Het vso is een verzamelnaam van een enorm scala aan opleidingen en is bovendien vaak niet regionaal maar landelijk georganiseerd. Er zijn scholen die opleiden tot een havo/vwo-diploma, maar ook die niet eens praktijkonderwijs halen. Ik verwacht dat het wetsvoorstel een kader wordt, waarbinnen alles nog geregeld moet worden. Dat betekent maatwerk, wat dus een enorme klus en veel administratief gedoe oplevert.
Een (v)so-school heeft één brinnummer, dus als je die gaat splitsen is daar het eerste probleem al. Want wie van het personeel behoort tot welk onderdeel van de school? Bovendien houd je veelal kleine scholen over, dat heeft gevolgen voor de bekostiging en het bestuur van die school. Daarnaast hebben de meeste leerkrachten een pabo-bevoegdheid en die zijn meestal niet bevoegd voor voortgezet onderwijs. We zullen afspraken moeten maken over hoe en binnen welke termijn die bevoegdheid behaald moet worden. Dat vooruitlopend op de wetswijziging de eerstegraadsdocenten al betaald kunnen worden met geld uit het herfstakkoord, is een lapmiddel. Dit alles vraagt om een goede berekening: wat is het verschil met de huidige bekostiging en wie gaat dat betalen? Het speciaal onderwijs is vaak maar een klein radertje binnen een samenwerkingsverband, dus het calimero-effect ligt op de loer.”


{kadertje 4}

Cijfers

Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs zijn verdeeld in vier clusters:
- Cluster 1: blinde of slechtziende kinderen
- Cluster 2: dove of slechthorende kinderen, kinderen met een communicatieve beperking
- Cluster 3: lichamelijk gehandicapte kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen en langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap
- Cluster 4: zeer moeilijk opvoedbare kinderen, kinderen met gedrags- en/of psychiatrische stoornissen
Het speciaal onderwijs telt 31.774 leerlingen op 312 scholen en het vso 38.147 leerlingen op 329 scholen. Het merendeel gaat naar een school voor cluster 4 (50%) of cluster 3 (38%). Jaarlijks doen ongeveer 3500 leerlingen staatsexamen op het vso. Daarnaast doen ruim 700 vso-leerlingen centraal examen op een reguliere school.

{noot}
Bron: NCOJ/DUO, schooljaar 2013/14, Onderwijsverslag 2012/13

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.