• blad nr 13
  • 1-7-2000
  • auteur G. van der Mee 
  • Redactioneel

Angst voor geldverslindende bureaucratie verdwenen 

Een rugzakje naar de laatste mode

Hoe ziet de toekomst voor scholen en ouders er uit wanneer in 2002 het rugzakje wordt ingevoerd?
De angst voor een geldverslindende bureaucratie is door de wijzigingen van de staatssecretaris grotendeels weggenomen. De directeur krijgt meer lucht, de vakbondsman is voor en het Kamerlid is tevreden.

Ik kan het aan ouders niet langer verkopen dat het rugzakje er nog niet is², zegt Gerard Kusters van de Mytylschool in Roosendaal. ³Drie, vier jaar geleden werd het plan al aangekondigd. Overal stonden stukken in de krant en ik werd overspoeld met telefoontjes. Inmiddels geloven ouders er niet meer in en zie je langzaam bij een deel van hen een tegenovergestelde beweging op gang komen: Kunnen we ze niet beter gewoon op de Mytylschool laten?²
Directeuren van de 2/3-scholen in het speciaal onderwijs zijn een stuk milder gestemd nu staatssecretaris Adelmund gehoor heeft gegeven aan de belangrijkste kritiek op de invoering van het rugzakje. Met het schrappen van de landelijke indicatiecommissie als zeef vooraf, is een groot deel van de angst voor een geldsverslindende bureaucratie verdwenen. De toelating wordt nu overgelaten aan het regionaal expertisecentrum (rec). ³Op zich zijn de nu afgesproken procedures werkbaar, scholen krijgen meer lucht², zegt Gerard Kusters. ³Al zal het allemaal wat langer duren, zolang er geen kinderen in de knel komen kan dat wel.²
In 2002 wordt de leerlinggebonden financiering in het basisonderwijs ingevoerd. Alle leerlingen die zich bij de 2/3-scholen aanmelden, worden dan door de onafhankelijke rec¹s beoordeeld op toelating. Ouders kunnen met de indicatie in de hand vervolgens zelf beslissen naar welke school of instelling hun kind gaat. De extra hulp wordt daar dan gegeven in de vorm van extra formatie, ambulante begeleiding en leermiddelen.
De Mytylschool in Roosendaal was een van de pilotprojecten die de nieuwe maatregel uitprobeerden.

Te streng
De pilotscholen vonden de indicatiecriteria te streng geformuleerd. Volgens hen ontstaat er daardoor discussie over een flinke groep leerlingen waarop de scholen weinig invloed kunnen uitoefenen. Vooral bij de groep leerlingen met psychosociale problemen is er een grijs gebied: niet precies valt uit te zoeken of een leerling kan worden toegelaten of een rugzakje mee kan krijgen. Bij een deel van de scholen in cluster 3 en 4 - zmlk en zmok - zal de vraag wie wel en wie niet toelaatbaar is voortdurend terugkeren, zo verwachten verschillende directeuren.
Een echte discussie over de ruis in de indicatiecriteria blijft uit omdat de belangen verschillend zijn², zegt Gerard Kusters daarover. ³Scholen en ouders kijken naar de hulpvraag, de politiek kijkt naar de groei en de kosten. Als het over de beheersbaarheid van de kosten gaat, zeg dat dan. Iedereen blijft om die hete brij heendraaien. De discussie over die groep komt zeker weer terug.²
In de nieuwe financiering is rekening gehouden met het grijze gebied. Dertig procent van het bedrag voor de 2/3-scholen is bestemd voor deze twijfelgevallen. Leerlingen die geen duidelijke indicatie mee kunnen krijgen, hoeven dus niet per se buiten de boot te vallen. Dat budget mag niet groter worden. De zeventig procent die overblijft, is voor de geïndiceerde leerlingen, dat bedrag kan wel groeien.
Rob de Koning, hoofdbestuurder van de AOb, onder andere verantwoordelijk voor het speciaal onderwijs, ziet grote voordelen in de leerlinggebonden financiering. ³Kinderen worden dan door een onafhankelijke instantie beoordeeld, waardoor zowel de ouders als de school sterker staan. Als het aantal leerlingen groeit kan de overheid nooit meer zeggen Œdat laat maar toe¹, want het gebeurt volgens van tevoren opgestelde criteria. Ouders hebben meer rechten en kunnen in beroep gaan wanneer ze het niet eens zijn met het oordeel.²
De Koning is vooral tevreden over de financiering. Door de bijdragen uit de voorjaarsnota zijn het niet langer de scholen die opdraaien voor de bekostiging van de rec¹s. Bovendien krijgt ieder kind met een rugzakje in het regulier basisonderwijs, naast extra formatie, 1500 gulden mee voor de aanpassing van de leermiddelen.
Het idee is dat de 2/3-scholen opgaan in veertig rec¹s die worden ingedeeld volgens de bestaande clusters (zie kader). De AOb is voorstander van de oprichting van de centra. De Koning: ³Ik denk dat wanneer het geld naar één centrum gaat, dus niet meer verdeeld wordt over aparte scholen, er veel meer mogelijk is. Je kunt dan bijvoorbeeld het aantal lesplaatsen uitbreiden. Er mogen geen nieuwe scholen meer worden opgericht, terwijl er nog heel wat witte plekken op de kaart zijn.²

Wachttijd
Sommige directeuren vrezen dat door het indiceren de wachttijd voor de toelating van leerlingen onnodig wordt verlengd, terwijl het overduidelijk is dat de leerling thuishoort in het speciaal onderwijs. Rob de Koning, zelf jarenlang directeur geweest van een school voor speciaal onderwijs, doet daar laconiek over: ³Als op de teldatum 1 oktober alles maar in orde is. Een school hoeft niet te wachten met toelaten. Als er maar wel verantwoording afgelegd kan worden.² Indiceren is volgens hem wel nodig, omdat er zich anders te veel mensen zouden aanmelden voor het rugzakje. Hij verwacht aan de andere kant geen plotselinge hausse van ouders die met het rugzakje naar het reguliere onderwijs willen: ³Het aantal leerlingen is sowieso niet zo groot en veel ouders geven juist de voorkeur aan speciaal onderwijs.²
De prognose is dat de deelname van deze groep in het basisonderwijs met zo¹n vijf procent zal groeien, nu is het twintig procent (circa 6000 leerlingen). De Koning ziet wel problemen ontstaan over de toelating van kinderen uit clus-
ter 4. Om een zmokker in de klas te handhaven is bijna een 1-op-1-begeleiding nodig. ³We hebben daarom voorgesteld dat deze leerlingen in ieder geval één jaar voor een behandeling naar een instelling voor moeilijk opvoedbaren gaan.² Ouders kunnen met het rugzakje overigens ook terecht bij de andere scholen voor speciaal onderwijs. Doordat ze zelf geld meenemen, drukken ze niet op het budget van Weer samen naar school. De groei van de 2/3-scholen (zie kader) vindt vooral in het voortgezet onderwijs plaats. In het basisonderwijs zit de toename vooral bij leerlingen met spraakstoornissen en zeer moeilijk lerenden. Die toename kan ook een gevolg zijn van de quotering door WSNS-besturen, waardoor een leerling makkelijker wordt doorgestuurd. De Koning verwacht dat de rec¹s dit niet zomaar zullen accepteren.
José Smits, PvdA-Kamerlid, heeft de leerlinggebonden financiering in haar portefeuille. Ze vindt dat er goed is gereageerd op de vrees van de Kamer voor extra bureaucratie en een lege rugzak. De taak die de landelijke indicatiecommissie nu krijgt - controle achteraf en evaluatie van de criteria - is volgens haar heel goed. ³Daar ben ik heel blij mee, ouders en leerlingen hebben er geen last van en er wordt toch overlegd of de criteria wel deugen.² Smits vindt de steun die de reguliere school voor een kind met een rugzakje krijgt nog steeds mager: ³Ik denk dat er toch meer aandacht moet zijn voor bijscholing. De expertisecentra verzorgen de ambulante begeleiding, zij weten veel van de handicap, maar zij weten niet welke problemen dat in de setting van een gewone klas geeft.² Ook de voorlichting aan de ouders moet volgens haar meer aandacht krijgen.

Langzaam
Smits doet ook het persoonsgebonden budget in haar fractie. In de gezondheidszorg bestaat het persoonsgebonden budget alweer vijf jaar en het wordt steeds populairder. Klachten over ingewikkelde procedures en lange wachttijden waren groot, maar nemen volgens de vereniging Per Saldo de laatste tijd met een steile curve naar beneden af. De vergelijking met de leerlinggebonden financiering dringt zich op. Ouders hoeven hierbij echter, in tegenstelling tot het persoonsgebonden budget, zelf geen ingewikkelde formulieren in te vullen of te wachten op de financiering. Aanmelden bij een regionaal centrum is vooralsnog de enige stap die moet worden gezet.
Smits vindt het persoonsgebonden budget in de zorg veel verder ontwikkeld. Daarbij vergeleken is de rugzak maar een schriel geval. Smits: ³Het aardige is dat de zorg vooropliep met de indicatiestelling en dat het daar nu veel consequenter wordt toegepast. Nu worden ook instellingen gefinancierd afhankelijk van de ernst van de handicap. Voor de instellingen is dat gunstiger en ernstige patiënten lopen niet langer het risico geweigerd te worden.² Door haar verstandelijk gehandicapte dochter Thiandi heeft ze zelf veel ervaring met het persoonsgebonden budget. Zij kan daarmee een begeleider betalen om voor Thiandi te zorgen als die thuiskomt van de basisschool. Volgens Smits zou ook het budget van het rugzakje veel meer moeten afhangen van de persoon en minder van het cluster. Uit de brief van de staatssecretaris aan de Kamer blijkt dat voor een bepaalde handicap, doofheid bijvoorbeeld, een bedrag staat van 33.000 gulden. Smits: ³Bij zo¹n bedrag wordt uitgegaan van de bestaande zorg, ik noem dat slagboomdiagnostiek: alleen gericht op toelating en niet op keuzevrijheid.²
Ze verwacht niettemin dat de Kamer in het komende overleg snel klaar zal zijn met de behandeling van het leerlinggebonden budget, omdat er tevredenheid heerst over de tegemoetkomingen. ³Tegelijkertijd hoor je wel de verzuchting dat we nu al jaren bezig zijn met het rugzakje, het gaat allemaal zo langzaam.² Voor het voortgezet onderwijs is de uitwerking van het rugzakje nog niet afgerond.

In de Verenigde Staten jaagt de bureaucratie rond indicatie, handelingsplannen, leerlingvolgsystemen en evaluatie van resultaten op grote schaal docenten uit het speciaal onderwijs. Ieder jaar vlucht zeven procent van de leerkrachten uit het speciaal onderwijs naar gewone basisscholen omdat ze al het papierwerk meer dan beu zijn. ŒWe zijn op het punt aanbeland dat leraren liever dertig leerlingen in een gewone klas hebben dan tien in het speciaal onderwijs, vanwege al de bureaucratie en de strikte wetgeving¹, zegt een directeur van een lerarenopleiding daarover in het blad Education Week. Als gevolg van die leegloop is door het hele land een groot tekort aan leerkrachten speciaal onderwijs ontstaan. Veel starters in het speciaal onderwijs lichten al na twee jaar weer de hielen.

Het aantal leerlingen in de 2/3-scholen groeit de laatste jaren sterk. Tussen 1992 en 1999 nam het toe van 34.942 tot 52.159 leerlingen. De meeste groei zit in het voortgezet speciaal onderwijs, in de basisschoolleeftijd, waar straks het rugzakje voor gaat gelden, is de toename minder extreem. Toch zitten er in de vier clusters waarin de scholen worden ingedeeld, ook een paar schooltypen die de afgelopen jaren fors in omvang zijn toegenomen. Het gaat dan om de scholen voor kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden en zeer moeilijk lerende kinderen.

1992 1999
cluster 1
visueel gehandicapten 551 542
cluster 2
doven 435 305
slechthorenden 1186 1172
ernstige spraakmoeilijkheden 2302 3544
cluster 3
lichamelijk gehandicapten 1136 1368
meervoudig gehandicapten 3012 4198
zeer moeilijk lerend 5728 8489

cluster 4

langdurig zieken 2914 4361

pedologische instituten 1087 1466

zeer moeilijk opvoedbaar 2818 3203

iobk 212 237

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.