• blad nr 13
  • 6-9-2014
  • auteur . Overige 
  • Redactioneel

 

Help, mijn leerling radicaliseert

Je hele leven Nederlands onderwijs genoten en toch als jihadist afreizen naar Syrië of Irak? Het gebeurt. Een docent kan het verschil maken. Maar het onderscheid tussen puberaal gedrag en extremistisch gedachtegoed is vaak moeilijk te maken. Te vroeg de noodklok luiden, kan averechts werken. Contact is cruciaal.

Tekst Joëlle Poortvliet

Twee Somalische jongens meldden zich een aantal jaren geleden bij de school van Bob van Schuylenburch in Goes. Ze zijn met hun moeder in het plaatselijke asielzoekerscentrum komen wonen en lijken prima te integreren. Tot docent Van Schuylenburch in de derde klas merkt dat de oudste zich steeds extremer uit. “Wanneer het over de rechten van de vrouw ging, bond hij geen centimeter in. Wat zijn klasgenoten of ik ook aandroegen: vrouwen horen binnenshuis.”
Naast de stelligheid in zijn islamitische overtuigingen, valt het Van Schuylenburch op dat de jongen zich steeds meer isoleert. Hij blijft hem bewust betrekken bij groepsdiscussies en gaat ook een-op-een het gesprek aan. “Als het even kon, probeerde ik mensenrechten, tolerantie of de grondwet in het gesprek te gooien. Bovenal wilde ik dat hij zich welkom bleef voelen.”
Maar wanneer het Somalische gezin nog tijdens de middelbare schoolperiode verhuist naar Den Haag, verliest Van Schuylenburch het contact. Vanuit Den Haag bereiken hem geluiden dat de jongen zich zou hebben aangesloten bij radicale moslimgroeperingen. “Als ik dan hoor over Nederlandse jongeren die in Syrië en Irak vechten, ben ik wel bang dat hij daarbij zit.”
Terugkijkend kan Van Schuylenburch de koers van zijn pupil deels verklaren. “Het gezin had enorme ontberingen doorstaan om in Nederland te komen. Als het hier vervolgens niet perfect is, ligt teleurstelling op de loer. De oudste jongen reageerde daarop met een sterke hang naar zijn moederland - alles wat uit Somalië kwam werd plots briljant - en naar de traditionele kant van zijn geloof.”
Lastiger vindt Van Schuylenburch het zijn eigen rol in het proces te beoordelen. Het frustreert hem bijvoorbeeld dat radicalisering grotendeels buiten de invloedssfeer van een docent plaatsvindt. “In de klas doe je alles om zo’n jongen erbij te houden, maar op straat werd hij geregeld gezien met een groepje strenggelovige oudere mannen.” Ook is binnen bestaande overleggen moeilijk ruimte vinden voor het onderwerp. Radicalisering lijkt buiten ieders terrein te vallen. “In het zorgteam sprak ik mijn vermoedens uit, maar daar zit geen expert bij. Bovendien weet je het nooit zeker. De mentor van de jongen zag geen gevaar, maar ikzelf had er door de combinatie van signalen geen goed gevoel bij. Wat doe je dan?”

Extremisme
Wanneer in 2004 Theo van Gogh wordt vermoord door een moslimextremist, komt radicalisering hoog op de Nederlandse politieke agenda. De steden Rotterdam, Den Haag en Amsterdam krijgen meldpunten waar onder andere onderwijsprofessionals vragen kunnen stellen. En na wat getouwtrek neemt de Tweede Kamer in 2005 een wet aan waardoor burgerschap en sociale integratie kerndoelen worden in het onderwijs. Het opvoeden van jongeren tot democratische burgers krijgt hiermee een boost, maar in de dagelijkse schoolpraktijk ebt de aandacht ook weer weg, merkt radicaliseringsdeskundige Halim el Madkouri. “Het is te versnipperd. Democratie komt als onderwerp aan de orde bij bepaalde vakken, maar zit niet in het hele systeem.” Terwijl El Madkouri het risico onder Nederlandse jongeren alweer een jaar of drie sterk ziet toenemen. “De aantrekkingskracht van moslimfundamentalisme groeit door internationale ontwikkelingen die via internet en de media 24 uur per dag toegankelijk zijn. Jongeren krijgen volop mee wat er gaande is in Egypte. Ze hebben Afghanistan gezien en volgen nu live de conflicten in Syrië, Irak en Gaza.”
Ook Michiel Sustronk, leraar op het Aloysius College in Den Haag, herinnert zich een bovengemiddeld vrome leerling. De dame besluit zo halverwege de middelbare schoolperiode docenten geen hand meer geven, kijkt hen niet meer direct aan en neemt ongenuanceerde standpunten in over onder andere het Israëlisch-Palestijns conflict. Sustronk: “Ze stortte zich op een goede moslimzuster zijn, ging compleet in het zwart gekleed en heeft zelfs een klasgenote bekeerd.” Toch wil Sustronk haar proces met klem geen radicalisering noemen. “Ik kende haar en haar thuissituatie goed en maakte me geen zorgen dat er gekke dingen zouden gebeuren. Ze was een slimme, sociale leerling. Natuurlijk moest ik even met mijn ogen knipperen als er een boekje op haar tafel lag met soera’s (islamitische leefregels, red.) die specifiek beschrijven hoe een vrouw zich moet gedragen. Maar aan de andere kant fascineerde het me ook om haar religieuze renaissance te volgen.”
Sustronk laat haar een werkstuk maken over feminisme in relatie tot de islam. “Het was bijna knap hoe ze op een bizarre manier probeerde aan te tonen dat de islam het meest voor de vrouwenemancipatie heeft betekend.”

Wondermiddel
In contact blijven met je leerlingen is het belangrijkste medicijn tegen radicalisering, stellen docenten. Het onderzoek Radicalisering in het klaslokaal uit 2008 van het Centrum voor Nascholing (CNA) onderschrijft dit standpunt. Na gesprekken met tientallen Amsterdamse docenten in het voortgezet onderwijs noemen de onderzoekers contact zelfs ‘een wondermiddel’. Maar ze beschrijven ook uitersten in type leraren. Aan de ene kant staat de didacticus. Deze wil helemaal niet investeren in contact met leerlingen, of bezig zijn met hun persoonlijkheidsontwikkeling. Kennisoverdracht is volgens hem taak van het onderwijs. Eén van hen zegt in het rapport: ‘We zijn geen therapeuten. Je hebt geen idee hoe kwetsend en slopend sommige discussies soms zijn.’ Hij ziet zich genoodzaakt sommige leerlingen af te kappen met de opmerking ‘Jouw mening wil ik nu niet horen’.
Daartegenover staat het type pedagoog dat zich als vanzelfsprekend medeverantwoordelijk voelt voor het tegengaan van radicalisering en openlijk praat over zijn behoefte aan houvast daarin. Alle van Steenis, die destijds meewerkte aan het CNA-rapport en inmiddels rector is op het Kaj Munk College in Hoofddorp, herkent de tweedeling. Al wordt deze minder rigide, denkt hij: “Op onze scholen eisen we dat docenten beide zijn: didacticus en pedagoog. Als iemand wat zwakker is in de ene component wordt hij daarop aangesproken en gevraagd zich te ontwikkelen.”
Volgens radicaliseringsexpert El Madkouri mogen onderwijzers vooral niet inslapen als het gaat om burgerschapsvorming. “Jongeren lijken zich misschien alleen druk te maken over hun gadgets en games, maar dit is geen ideaal-loze generatie. Praat met hen over hoe ver ze willen gaan om hun idealen te bereiken. Leg uit dat democratie de manier is om verschillen te overbruggen en leer ze omgaan met teleurstelling. Je kunt het niet altijd precies krijgen zoals jij het hebben wilt.” Dat deze aanpak werkt, staat volgens hem buiten kijf. “Als je ziet hoe vaak jongeren op Facebook roepen: ‘Ik ga naar Irak.’ Uiteindelijk is het gelukkig maar 1 procent die daadwerkelijk gaat. Maar daar moeten we actief aan blijven werken.”

Vrijzinnig
Het begrip ‘cultureel kapitaal’ kan docenten misschien helpen in hun dagelijkse lespraktijk. Afgelopen januari liet politiek socioloog Jeroen van der Waal een groep maatschappijleraren kennis maken met de term. Cultureel kapitaal betekent grofweg het vermogen om culturele uitingen te herkennen, ze te zien als willekeurige opties en daardoor uitingen die verschillen van de jouwe niet als beangstigend of bedreigend te ervaren. In zijn onderzoek naar nationalisme – ook een vorm van radicaal denken – zocht Van der Waal een verklaring. Waarom ontwikkelt de ene persoon extreem nationalistische overtuigingen en de ander niet? “Men dacht altijd dat er een sterke link was tussen iemands inkomen en nationalisme. Mensen die anti-Europa zijn zouden de zogenaamde mondialiseringverliezers zijn en het effect van een groeiende Europese Unie direct in hun portemonnee voelen. Maar dat blijkt niet het geval.”
Van der Waal noemt als voorbeeld een gezin met een vader die viool speelt in een orkest en een moeder die twee dagen per week Latijn geeft op een middelbare school. “Hun kinderen krijgen van jongs af aan veel mee van verschillende culturele repertoires. De ouders zijn waarschijnlijk kosmopolitisch en vrijzinnig, terwijl hun inkomen laag is.” Dit terwijl, volgens Van der Waal, extreemrechtse clubs vaak worden gefinancierd door vrije jongens uit de vastgoedwereld die de middelbare school niet hebben afgemaakt. “Zij hebben doorgaans veel geld vergaard, maar weinig cultureel kapitaal.” Iemand met weinig cultureel kapitaal ervaart zijn eigen cultuur als de natuurlijke orde, of als de van hogerhand voorgeschreven manier, legt van der Waal uit.
Binnen het onderwijs komen jongeren dagelijks in aanraking met andersdenkenden. Naar school gaan – en zeker hoger onderwijs volgen – verhoogt in die zin sowieso iemands cultureel kapitaal. Winst valt volgens Van der Waal te boeken wanneer docenten binnen burgerschapsvorming bewust aandacht schenken aan denk-, voel-, en handelspatronen die onderling sterk kunnen afwijken. “Het gaat om het besef dat jouw manier van eten, bidden, wonen of vrije tijd besteden slechts één optie onder de vele is.”
De Haagse leraar Michiel Sustronk blijkt onbewust bijna dagelijks bezig met cultureel kapitaal. Hij gebruikt humor om verschillen te benoemen en spaart zichzelf daarbij niet. “Opmerkingen als ‘Ik ben gewoon een zuinige Hollander’ kunnen heel verfrissend werken.” Ook riepen twee autochtone jongens onlangs in zijn overwegend allochtone leerlingengroep: ‘Ja hallo, wordt hier nog rekening gehouden met de minderheid?’ Sustronk: “Dat zijn leuke omkeringen. Als leerlingen elkaar in een goede sfeer wijzen op verhoudingen en vooroordelen, zijn we goed bezig.”

{kader 1}
Signalen
Halim el Madkouri, radicaliseringsdeskundige en arabist en islamoloog, waarschuwt voor checklists en risico-calculaties die radicaliserende leerlingen eruit moeten pikken. Vaak gaan signalen zoals een plotselinge verandering in kleding niet op en eenmaal (ongenuanceerd) gelinkt aan radicalisering kunnen ze verdere verwijdering juist in de hand werken. Wel constateert hij dat jongeren die veel problemen hebben met het thuisfront en met het ontwikkelen van hun identiteit vaak gevoeliger zijn voor radicalisering. Soms is er ook sprake van schulden of het al vroeg vertonen van crimineel gedrag.

{kader 2}
Radicalisering in de klas
Wat te doen?
- Verdiep je in het verhaal van de leerling. Wat is er met vader of moeder gebeurd? Welke ervaringen heeft men op school of op straat? Hoe vertaalt zich dit zich in zijn politieke opvattingen?
- Neem jongeren en hun idealen serieus. Bied ruimte om de idealen te bespreken zonder argwaan. Vraag bijvoorbeeld met een open houding wat ze allemaal op internet tegenkomen.
- Zoek positieve projecten waar de jongere vanuit zijn wil om de wereld te veranderen, energie in kan steken.
En wat niet?
- Geef een leerling nooit op omwille van zijn ideeën alleen.
- Ga als de idealen echt op drift raken toch de discussie aan. Ook al heb je vooraf al het idee dat je die verloren hebt.
- Alarmeer pas een instantie wanneer elke mogelijkheid voor gesprek is uitgeput. Als dat te overhaast gebeurt, zal de jongere zich nog minder gerespecteerd voelen.
Bron: www.omgaanmetidealen.nl

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.