• blad nr 13
  • 6-9-2014
  • auteur J. van Aken 
  • Redactioneel

 

Spelend leren in de peuterklas

Verspreid over het land draaien er sinds twee jaar dertig pilots met startgroepen voor peuters. Het doel is om taalachterstand in groep 1 zoveel mogelijk te voorkomen door peuters vanaf tweeënhalf jaar al spelenderwijs naar school te laten gaan. Waarin verschillen peuterklassen van voor- en vroegschoolse educatie en wat leveren ze op?

“Tom is op zijn nieuwe school”, leest pedagogisch medewerker Sjoukje Klaassens voor. Ze geeft de kinderen een ballon, die een belangrijke rol speelt in het verhaal. “Ik heb een blauwe ballon en de trui van Igor is ook blauw”, wijst ze. De twaalf aanwezige peuters (normaliter zijn er zestien) van de startgroep van basisschool de Wilgeroos en peuterspeelzaal Dribbel in Beverwijk volgen een instructiecircuit waarbij ze drie leerzame spelletjes gericht op kleuren doen. Na een kwartier schuiven de kinderen door naar leerkracht Gerjanne Strijker voor een spelletje om dezelfde kleur ballon en blokjes bij elkaar te zoeken. Dat gaat de peuters goed af. “Jullie zijn toppertjes, jullie weten alles al”, complimenteert Strijker hen. Bij stagiair Busra mogen de kinderen puzzelen. De peuters beschrijven wat ze op de verschillende puzzelstukjes zien.
Sinds twee jaar subsidieert het ministerie van Onderwijs dertig pilots waarin basisscholen samenwerken met peuterspeelzalen en kinderopvang. De startgroep in Beverwijk is een van die pilots. Het zijn gemengde groepen waarvan ongeveer de helft van de kinderen laagopgeleide, meestal niet-Nederlandstalige ouders heeft. Het doel is (taal)achterstand bij aanvang van de basisschool te verkleinen. Meestal beginnen de peuterklassen vanaf tweeënhalf jaar (in Beverwijk vanaf twee jaar) en eindigen bij vier jaar, als de kinderen naar groep 1 gaan. “Kinderen zitten minstens anderhalf jaar 12,5 uur per week in een startgroep, de duur en intensiteit zijn belangrijk”, vertelt Anne Luc van der Vegt van onderwijsadviesbureau Oberon, dat de pilot namens het ministerie van Onderwijs begeleidt.
In Beverwijk doen ze mee aan de pilot omdat het moeilijk was kinderen klaar te stomen voor het basisonderwijs. Klaassens: “Het is lastig om in de peutertijd Nederlands te leren als je ouders de taal niet spreken.”

Tobben
De startgroepen gebruiken methodes van de voor- en vroegschoolse educatie (vve). Van der Vegt: “Taal is een speerpunt omdat voor een groot deel van de doelgroep Nederlands de tweede taal is.” Maar de startgroepen richten zich op vier gebieden: taal, rekenen, motoriek en sociale ontwikkeling. “De motorische ontwikkeling stimuleren, blijkt een positief effect te hebben op de cognitieve ontwikkeling.”
Al langer bestaat er vve voor ongeveer dezelfde doelgroep. “Het is tobben met de vve”, merkt Van der Vegt. “Er wordt veel geïnvesteerd, maar het is lastig aan te tonen of vve echt effect heeft.” De startgroepen komen voort uit het advies Naar een nieuwe kleuterperiode in de basisschool van de Onderwijsraad uit 2010 om de voorscholen een educatief karakter te geven door ze onder te brengen bij basisscholen, vertelt hij. “De startgroep is daarbij een eerste verkennende stap.”
Een verschil is dat kinderen 10 uur per week naar de vve gaan en 12,5 uur naar de startgroep. “Wekelijks 2,5 uur meer scheelt heel veel. Het is makkelijker in kleine groepjes uiteen te gaan voor instructiemomenten”, merkt Klaassens. Daarnaast hebben de startgroepen een leerkracht en een pedagogisch medewerker, in plaats van twee pedagogisch medewerkers bij de vve. “Het is voor de kwaliteit belangrijk dat er ook een juf met een pabo-opleiding voor de klas staat”, vindt Van der Vegt. Hij benadrukt het belang van de wisselwerking tussen pedagogisch medewerker en leerkracht. “Pedagogisch medewerkers weten hoe peuters in elkaar zitten. Leerkrachten zijn soms iets te ambitieus en leren van hen dat je met peuters veel meer op de knieën moet, het tempo niet te hoog mag zijn en dat je niet te sturend moet werken.”
Die wisselwerking is er volop tussen leerkracht Strijker en pedagogisch medewerker Klaassens. “In eerste instantie had ik meer ervaring met Cito-toetsen en groepsplannen, maar nu doen we alles samen”, vertelt Strijker.
Ilona Zijlstra, zorgcoördinator bij de Wilgeroos, vertelt dat de verschillen in twee maanden wegvielen. Gedrieën deden ze een training opbrengstgericht werken met jonge kinderen. “En het scheelde dat ik niet op een half uur extra werk kijk bij het analyseren van Cito-toetsen met Ilona”, zegt pedagogisch medewerker Klaassens. Omgekeerd hielp het dat Strijker een achtergrond als pedagogisch medewerker heeft.

Opbrengstgericht
Door de leerkrachten in de startgroepen doet opbrengstgericht werken bij peuters zijn intrede. De leidsters krijgen daarmee meer bagage om het taal- en rekenaanbod zo effectief mogelijk aan te bieden, vertelt Zijlstra. “We zijn bewuster bezig met taalontwikkeling door meer vanuit doelen in plaats van activiteiten te werken”, zegt ze. “Dat betekent dat je vooraf duidelijk bedenkt wat je waarom wilt aanbieden”, vult Strijker aan. “We beelden bijvoorbeeld meer uit en maken het tastbaar door er een ballon bij te pakken als die in een verhaal voorkomt.”
Aan de hand van doelen van de Stichting Leerplanontwikkeling Nederland (SLO) maakten ze zelf een schema van wat kinderen wanneer moeten kunnen. Bij taalontwikkeling gaat het bijvoorbeeld over de uitspraak van letters en grootte van de woordenschat. Op sociaal-emotioneel gebied houden ze onder andere bij of kinderen passief of actief zijn. En bij motoriek of ze kunnen klimmen, fietsen en een toren bouwen. “Een kind van drieënhalf jaar moet een toren van acht blokjes kunnen bouwen. Als een kind zes blokjes haalt, bied je het vaker aan”, legt Klaassens uit.
De kritiek op startgroepen is dat je niet te vroeg moet beginnen met onderwijs, maar dat kinderen vooral lekker moeten spelen als peuter. “Spelen en leren is geen tegenstelling”, reageert Van der Vegt. “Alle kinderen ontwikkelen zich het beste door veel te spelen. Voor de meesten loopt dat vanzelf als een zonnetje, maar sommige peuters hebben extra aandacht en stimulans van juffen en andere kinderen nodig. Voor hen is de startgroep bedacht.”
Leerkracht Strijker zegt dat kinderen het niet zien als een schoolse situatie, maar dat ze ondertussen veel leren. “Doordat we het leermateriaal en de instructie op een speelse manier aanbieden, zien kinderen het als een spelletje. En daarna mogen ze gewoon buiten spelen, dat is ook belangrijk.”

Kom maar op
Ouders hebben een belangrijke rol bij de startgroepen. “Kinderen brengen veel meer tijd thuis door bij de startgroep”, verklaart Van der Vegt. “Ouders krijgen ideeën aangereikt om met hun kind een boekje te lezen of een spelletje te doen. Dat is niet vanzelfsprekend voor ouders die zelf geen of slecht Nederlands spreken.” De startgroepen organiseren vaak ook activiteiten voor ouders. In Beverwijk krijgen ook ouders Nederlandse les tot hun kind naar groep 3 gaat. “Het gaat ook over heel praktische zaken: hoe de bibliotheek werkt, hoe we Sint Maarten en Sinterklaas vieren, of over het belang van gezond eten”, vertelt pedagogisch medewerker Klaassens.
Zijlstra vindt de grootste winst van de startgroep de ouderbetrokkenheid. “Ik merk in de gang dat ouders die Nederlandse les krijgen ineens tegen ons beginnen te praten. Dan durven ze dat buiten de school ook en praten ze meer met hun kind. Ze gaan nu naar de bibliotheek. Kom maar op, zeggen de moeders.”
Zowel Zijlstra als Van der Vegt houden zich op de vlakte over de resultaten. Zijlstra: “Mijn gevoel is dat de kinderen op een hoger niveau aan de basisschool beginnen. We merken dat de kleuterresultaten in groep 2 steeds beter worden. Indirect is dat wellicht te herleiden tot de pilot. Ik ben ontzettend benieuwd naar de onderzoeksresultaten.”
Ook Van der Vegt wacht op de resultaten van het effectonderzoek door de Universiteit Twente die over een jaar beschikbaar zijn. “Ik durf nog niet te zeggen dat startgroepen beter werken, maar de praktijk is hoopgevend. De samenwerking tussen peuterspeelzalen en basisscholen is goed van de grond gekomen.”
Peuter Diego is in ieder geval erg positief. “Wat een leuke school”, zegt hij uit het niets. “Ja hè, ik vind het ook gezellig”, antwoordt Strijker vertederd.

{fotobijschrift}
@B1:In de startgroep van basisschool de Wilgeroos en peuterspeelzaal Dribbel in Beverwijk wordt het leermateriaal op een speelse manier aangeboden. Peuters zien leren daardoor als een spelletje.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.