• blad nr 12
  • 21-7-2014
  • auteur . Overige 
  • Opinie

 

Met betere toetsen heb je nog geen beter onderwijs

Niet zo lang geleden hebben leerlingen uit groep acht weer de Cito-toets gemaakt. De uitslagen daarvan worden benut om een voor elke leerling geschikte school voor vervolgonderwijs te kunnen kiezen. Elk jaar weer spelen zich heftige discussies af rond de toets. Dat was ook in de vroege jaren van de vorige eeuw al het geval. Jo Nelissen gaat terug in de tijd.

Selecteren is een oud probleem waarover al in de jaren twintig van de vorige eeuw verwoed werd gediscussieerd. Een centrale figuur in die discussies was Philip Kohnstamm (1875-1951), hoogleraar en directeur van het Nutsseminarium voor pedagogiek (het NUT) te Amsterdam. In 1927 stelde de toenmalige wethouder van onderwijs van Amsterdam aan het NUT de vraag of het gebruikelijke toelatingsexamen voldeed als ‘schiftingsmiddel’. Kohnstamm en zijn assistent Gerrit van Veen reageerden in 1928 op die vraag met de publicatie van een rapport met een veelzijdig en interessant pakket van voorstellen om het selectieprobleem aan te pakken.
Van meet af aan is er op het NUT gediscussieerd over de vraag wat nu eigenlijk de kern van het probleem is. Hebben we te maken met een testprobleem? Zo ja, dan moet er gewerkt worden aan zorgvuldig uitgekiende en genormeerde toetsen. Of gaat het eerder om didactische problemen en het verbeteren en differentiëren van het onderwijs? Met betere toetsen hebben we immers nog geen beter onderwijs.
Het selectieprobleem is, ten tweede, een weerbarstig probleem omdat de ontwikkeling van kinderen niet voorspelbaar en geleidelijk, maar discontinu en soms grillig verloopt. Een derde meer praktisch probleem is dat leraren basisonderwijs en voortgezet onderwijs doorgaans onvoldoende op de hoogte zijn van elkaars didactiek en methoden.

Intelligentietest
Kohnstamm en Van Veen wisten heel goed hoe gecompliceerd het probleem van de selectie was, zoals blijkt uit hun rapport ‘De Aaneensluiting’. In dit rapport stellen zij voor om aandacht te besteden aan intelligentietests. Onder invloed van Duitse denkpsychologen zien zij intelligentie vooral als de vaardigheid om algemene denkschema’s te hanteren die in het onderwijs zijn verworven. Bovendien bepleiten zij om ook ‘schooltests’ te ontwikkelen, dat wil zeggen tests waarmee kan worden beoordeeld of leerlingen zich de lesstof voldoende hebben eigen gemaakt. Het toelatingsexamen zou opnieuw moeten worden ingevoerd. Het oordeel van het schoolhoofd moet serieus worden genomen, maar dan moet die hierin wel extra geschoold worden. Ook het instellen van proef- en brugklassen kan bijdragen aan een betere aansluiting, aldus Kohnstamm en Van Veen. Verder bepleiten de auteurs om het onderwijsprogramma van de ‘lagere school’ te vernieuwen. Zij zijn namelijk van mening dat te veel wordt geleerd, de nadruk te sterk ligt op het mechanisch van buiten moeten leren, te weinig nadruk ligt op inzichtelijk leren.
Kohstamm meent dat het daltonsysteem, toen in opkomst, een inspiratiebron kan zijn voor de vernieuwing van het onderwijs en kan bijdragen aan de aanpak van de selectieproblemen. Bovendien is hij een der eersten in de geschiedenis die inziet dat schoolprestaties direct samenhangen met het sociaal milieu. Vooral op het gebied van het rekenonderwijs zag hij de prestaties achterblijven en, zo meende hij, dat heeft onmiskenbaar (negatieve) gevolgen voor de selectie voor het vervolgonderwijs.

Leren denken
De kern van het selectieprobleem, zo zou men de gedachten van Kohnstamm, kunnen typeren is dat men onderzoekt hoe leerlingen denken, hoe ze léren denken. Dat betekent dat wetenschappelijke methoden moeten worden gezocht om dat denken en niveaus van denken te kunnen verhelderen. Maar hoe kunnen we dat (leren) denken nu onderzoeken? Bij het zoeken naar een antwoord op deze vraag liet Kohnstamm zich inspireren door de Duitse denkspychologen Oswald Külpe en Otto Selz. In 1912 had Külpe de methode van introspectie in ere hersteld. Tegen de geest van de tijd in vond Külpe dat denkprocessen alleen kwalitatief onderzocht konden worden door proefpersonen systematisch hierover te laten rapporteren. Dat kon dus niet door slechts kwantitatief resultaten van toetsen te analyseren. Tegenwoordig zouden we zeggen dat je proefpersonen moet laten reflecteren over hun denkprocessen. In de tijd van Külpe en Selz echter golden zulke gegevens als subjectief en onbetrouwbaar. Kohnstamm neemt de gedachten van Külpe en Selz over en meent dat processen als analyseren, symboliseren, schematiseren door zulk onderzoek opgespoord kunnen worden. En niet door te onderzoeken hoe leerlingen mechanisch en associatief de lesstof van buiten hebben geleerd.
Het is trouwens interessant te constateren dat de discussie zich een eeuw later herhaalt. Hedendaagse voorstanders van het oefenen van rijtjes sommen en memoriseren hebben weinig vertrouwen in het inzichtelijk leren en het leren reflecteren van leerlingen.
Geïnspireerd door de Duitse denkpsychologen raakte men op het NUT ervan overtuigd dat de kern van het selectieprobleem bestond uit het opsporen van denkprocessen van leerlingen.

Denkprocessen
Na veel wikken en wegen werd op het NUT het stillezen gevonden als methode van onderzoek. Op die manier wordt niet de hoeveelheid van buiten geleerde kennis onderzocht, maar wordt geanalyseerd hoe leerlingen hebben nagedacht. Daar zitten introspectieve momenten in, afhankelijk van de kwaliteit van de vragen waarop de leerlingen moeten reageren.
Ook in de ons omringende landen heeft het selectieprobleem voortdurend aandacht gevraagd. In Hamburg werd geëxperimenteerd met de ‘proefklasse’, bedoeld om tot betere samenwerking tussen leraren basis- en voortgezet onderwijs te komen. Er zijn in Nederland op dit gebied wel experimenten uitgevoerd, maar deze zijn vroegtijdig verdampt.
In Engeland en België zijn schoolprestatietoetsen uitgeprobeerd maar de resultaten daarvan waren nogal tegenstrijdig. Het NUT heeft ook met zulke toetsen ervaringen opgedaan, die echter niet hebben geleid tot een bruikbare aanpak. De gemiste kans van de wetenschap in Nederland is volgens pedagoog Nathan Deen de ‘schoolgemeenschap’. Daarin zou men - op basis van een meerjarige brugperiode - een goed beeld hebben kunnen vormen van individuele leerlingen.
In Duitsland bestaat - in beperkte mate - de Gesamtschule. Vaak wordt echter al vroeg door de leraar, meestal op basis van sociale achtergrond, voor de leerlingen een keuze gemaakt. Finland heeft een soort middenschool waar leerlingen tot zestien jaar bij elkaar zitten. Daarna gaat de helft naar het gymnasium en de andere helft naar het beroepsonderwijs.

Extra aandacht
Wat hebben we uiteindelijk geleerd van al dat denk- en onderzoekwerk? Is er sprake van een betere aansluiting naar het voortgezet onderwijs? De middenschool is hier nooit echt van de grond gekomen. Een eventueel gunstig effect van uitstel van selectie kon dus niet worden onderzocht. Vervolgens is de differentiatie in basis- en voortgezet onderwijs onvoldoende of niet gerealiseerd. Het stapelen van diploma’s, zoals dat vroeger veel plaatsvond, is vrijwel onmogelijk geworden. Laatbloeiers hebben dus gewoon pech.
Krijgen speciale groepen leerlingen dan misschien extra aandacht? Er wordt recent wel veel gepraat over meer aandacht voor begaafde leerlingen, maar speciale maatregelen vinden mondjesmaat plaats. Sommige groepen leerlingen die vroeger het speciaal onderwijs konden bezoeken, worden nu naar het basisonderwijs verwezen. In 2013 besloot onze volksvertegenwoordiging dat afname van de eindtoets basisonderwijs verplicht moet worden gesteld. Vreemd genoeg echter moet de leraar al voordat de toets is afgenomen een beoordeling uitspreken. Al met al lijkt het me toch denkbaar dat de eindtoets, die in elk geval objectief is, in combinatie met het oordeel van de leraar tot een redelijk betrouwbare selectie moet kunnen leiden.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.