- blad nr 12
- 21-7-2014
- auteur . Lachesis
- Column
Onbeschaamd
De invalster loopt met een rood hoofd de klas uit. Ik heb echt niet geknepen, zegt ze met trillende stem als ze merkt dat ik het voorval heb meegekregen. Je hoeft je niet te verontschuldigen, zeg ik net zo aangeslagen als zij, die vrouw moet zich schamen. Ik begrijp de geschoktheid van de invalster goed. De angst om op een onverwacht moment meegezogen te worden in een onheuse aanklacht die uitmondt in kafkaëske toestanden is groot in dit vak. Ik maakte zo’n tien jaar geleden mee dat twee collega’s ernstig beschadigd raakten door een volkomen ongegronde aanklacht. Er was nooit ook maar een spoortje bewijs aangedragen, maar de olievlek werd groter en groter en niemand was in staat de nachtmerrie te beëindigen. Sindsdien weet ik zeker dat waar rook is helemaal geen vuur hoeft te zijn. De rook kan zeer wel veroorzaakt worden door een stel leugenachtige, onbeschaamde mensen die niet gestopt worden door hen die dat volgens hun taakomschrijving wel behoren te doen.
Sindsdien raak ik leerlingen met geen vinger meer aan. Ik ben daar heel verbeten in. Onlangs ontstond er onder aan de trap van de school een vechtpartij tussen twee achtstegroepers. Ik stond er bovenop. Ik beperkte mijn interventie echter tot het herhalen van het commando dat er gestopt moest worden met vechten, intussen hield ik de andere leerlingen op afstand. Ik was zeer ontevreden over deze rol, toch peinsde ik er niet over om anderszins in te grijpen. Elke keer als ik collega’s een leerling vast zie houden, schrik ik onwillekeurig. Doe het nou niet, fluister ik de ene keer, soebat ik een andere keer. Laat los, dan komt hij maar niet mee naar binnen, dan weigert die griet maar om de klas uit te gaan. Maar laat die pols los, duw niet tegen die schouder aan.
Ook op affectief gebied houd ik veel afstand. Ik kan me niets meer voorstellen bij de tijd dat ik tijdens de pauze een vijftal zevenjarigen boven op me had liggen. Met de kennis van nu denk ik soms enigszins benauwd terug aan de jaren waarin ik zomaar een leerling optilde, op schoot trok, of mijn haren liet kammen door een stel meisjes tijdens het vrij spelen in de onderbouw. Ik blijf keurig op afstand. Hoewel… mijn huidige klas heeft maling aan mijn voorzichtigheid. In deze klas vol meiden wordt naar hartenlust omhelsd. Het is een kortstondige vriendschappelijke omhelzing. De meeste meisjes lopen op me af met een warmhartige vanzelfsprekendheid die ik niet kan weigeren zonder kwetsend te worden. En zo kruip ik heel voorzichtig weer uit mijn schulp op dit gebied. Maar twee vechtende leerlingen uit elkaar halen? Een armpje beetpakken? Een licht duwtje om de richting aan te geven waarin een zich misdragende leerling zich dient te begeven? Geen denken aan.