- blad nr 12
- 21-7-2014
- auteur R. Voorwinden
- Redactioneel
Vernieuwingsplan mbo goed ontvangen, maar:
‘Er staat geen woord over leraren in’
Tegenstanders? Nee, er is weinig kritiek op de plannen van minister Bussemaker om het mbo te vernieuwen. Dat zou ook gek zijn. Want de minister bezocht vorig jaar een groot aantal roc’s – haar ‘mbo-tour’ – om opmerkingen en wensen vanuit het veld te inventariseren. En verder borduren veel van haar plannen voort op eerdere maatregelen en ontwikkelingen, zoals de opkomst van de vakcolleges.
In de nieuwe plannen staat het woord ‘vakmensen’ centraal. Want de arbeidsmarkt heeft vakmensen nodig, zo stellen onder andere de Sociaaleconomische raad en de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid. Van elektrotechnici tot opticiens, van kraamverzorgers tot game-ontwikkelaars. Flexibel inzetbaar, sociaal vaardig en levenslang lerend. Want de inhoud van beroepen verandert steeds, dus moet je als toekomstig vakman voortdurend ‘weerbaar en wendbaar’ zijn. Goed gezegd, maar tot zover ook niets nieuws.
Verder wil de minister graag nieuwe leerroutes opzetten die studenten sneller naar hun doel brengen: een diploma en een baan. Ook die ontwikkeling is al gaande. Zo worden de niveau 4-opleidingen op dit moment al ingekrompen van vier naar drie jaar.
De zogenoemde vakcolleges in het mbo doen op dit moment al ervaring op met kortere leerlijnen.
Meester-gezel
“Wij hebben in de sectoren techniek en mens & dienstverlenen in totaal al zo’n honderd vakroutes”, zegt Johan van de Grift, algemeen directeur van Vakcollege Groep. “In die routes start het vakgerichte onderwijs al in het eerste of tweede jaar van het vmbo, waardoor de leerlingen al in hun vierde leerjaar aan mbo-lesstof kunnen beginnen. Die route leidt tot significant minder voortijdige schoolverlaters, omdat de leerlingen al vroeg met een echt vak bezig zijn. En omdat er een doorlopende leerlijn is van vmbo naar mbo.”
Van de minister moeten de mbo-opleidingen ook regionaal maatwerk gaan bieden. Prima, vindt Van de Grift. “Vakopleidingen zijn onlosmakelijk verbonden met de regionale arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt in Groningen is meer gericht op gas dan op havens, in Rotterdam is dat andersom. Je moet steeds kijken welke kansen de regionale arbeidsmarkt biedt, en die vertalen naar je opleidingsaanbod.”
Maar bij dat maatwerk moet de kwaliteit wel gewaarborgd zijn. ‘De kwaliteit van de examens is een groot zorgpunt’, schrijft de minister. Het Onderwijsverslag van de inspectie laat zien dat zelf ontwikkelde examens niet altijd voldoen aan de eisen. Opleidingen moeten verplicht gebruik gaan maken van examens die worden ingekocht bij gecertificeerde leveranciers. Of ze moeten hun eigen examens extern laten certificeren.
En oh ja, het moet afgelopen zijn met fancy opleidingen die wel studenten trekken maar geen baan opleveren. Elke opleiding krijgt een bijsluiter met onder meer informatie over het arbeidsmarktperspectief. De minister wil roc’s zelfs verplichten om alleen opleidingen aan te bieden die studenten uitzicht bieden op ‘het tijdig vinden van een baan op niveau’.
Verder moeten er meer programma’s komen voor excellente studenten, waarbij studenten bijvoorbeeld gekoppeld worden aan getalenteerde vaklieden in de praktijk. Dat is de zogenoemde meester-gezel-formule, die nu al in gebruik is bij onder andere zilversmeden en stukadoors.
Leiderschap
Een relatief nieuw onderdeel van de plannen is dat de minister afspraken wil maken over een nieuw bestuurlijk model. Volgens haar moet het mbo gaan bestaan uit een aantal grote ‘gemeenschappen van mbo-colleges’. Binnen die gemeenschappen zou het onderwijs moeten worden verzorgd door kleine mbo-colleges, die zijn gericht op een bepaalde branche of sector. En die onder leiding staan van een collegedirecteur die onderwijskundig leiderschap hoog in het vaandel heeft staan.
Het voordeel van die gemeenschappen van mbo-colleges is dat deze groot genoeg zijn om tegenslagen in de financiën en in de instroom van studenten op te vangen. En dat de colleges waaruit die gemeenschappen bestaan, zelf klein genoeg zijn om maatwerk te kunnen bieden aan studenten en aan regionale werkgevers.
Natuurlijk zouden grote roc’s ook botweg kunnen worden opgesplitst in kleinere roc’s, maar daar ziet de minister niets in. Want elk kleiner roc heeft weer een eigen bestuur en een eigen college van bestuur, en dat zorgt alleen maar voor ‘bestuurlijke drukte’. En bovendien kan een kleiner roc financiële tegenslagen moeilijker opvangen dan een grotere gemeenschap van mbo-colleges.
Dat opsplitsen van grote roc’s in kleinere roc’s is echter precies wat in Rotterdam het Albeda College en Zadkine van plan zijn. En dat willen ze graag doorzetten. ‘Door het creëren van één grote gemeenschap van scholen zou de grootste mbo-onderwijsmoloch van Nederland ontstaan’, stellen de roc’s in een eerste reactie. ‘Wij kunnen ons niet voorstellen dat de minister dit voor ogen heeft.’ De instellingen willen in overleg met de minister.
Kritiek
De meest fundamentele kritiek op de mbo-plannen van de minister komt van AOb-bestuurder André Steenhart. “Ik lees heel weinig over de mensen die het moeten doen: de leraren en ondersteuners. Want de minister maakt nu wel allerlei afspraken met besturen, maar besturen geven geen onderwijs. Dat doen de leraren, terwijl ze straks ook allerlei innovaties vorm moeten gaan geven. Maak dan concreet wat je precies van de leraren en ondersteuners verwacht, en zorg dat die daar de ruimte en de middelen voor krijgen. Anders gaat het geld simpelweg naar de besturen, en heb je geen idee wat er verder mee gebeurt.”