• blad nr 7
  • 5-4-2014
  • auteur W. de Lange, de 
  • Column

 

Meine Mutti schreit mich an

Mijn voorland is een naïef verheffingsgeloof. Ik geloofde eerst in de middenschool en later in de basisvorming. Ik geloofde dat goed onderwijs de verworpenen der aarde in staat zou stellen hun ketenen af te werpen. Ik geloofde, dat moet u opvallen, in de kracht van grote woorden. Ik geloofde in de heilzame werking van algemene vorming, als was ik een lid van de Arbeiders Jeugd Centrale in de jaren twintig van de vorige eeuw.
En nu? Nu werk ik in de tweede klas aan de vervoeging van haben en sein. Waarom? Wat heeft Michela (blowende stiefvader met gouden hart en losse handjes) aan ich bin, du bist, er ist? En wat leert Hardy (door vechtscheiding totaal ongeconcentreerd en heel onzeker) van ich habe, du hast, er/sie/es hat? Hij krijgt die vervoeging niet eens in zijn hoofd.
Er gaan weken voorbij waarin ik niet naar het waarom durf te vragen. In de Arbeiders Jeugd Centrale werden analfabeten opgevoed tot lezers van Tolstoj en wat bereik ik? Dat ze kreunend en steunend één deeltje uit de serie mini-Detektiven op A1-niveau doorploegen en aan het eind nog niet weten, wie wie is, in een suf verhaaltje van 26 pagina’s.
Maar voor deze leesles heb ik braaf mijn best gedaan, zonder me af te laten leiden door verlangen naar het hogere. Ik heb een ingezonden brief van een vijftienjarig meisje aan een Duitse jongerensite gevonden: ‘Meine Mutti und ich haben immer Streit. Sie schreit mich an.’ Ik heb die brief en het antwoord van een jeugdpsycholoog van het net geplukt. En ik heb er een les bij bedacht, die helemaal volgens het boekje moet verlopen, met ‘voorkennis’ en de hele rataplan. Het topstuk is de gatentekst. ‘Meine Mutti und ich haben immer … Sie … mich an.’ Ze hoeven niet letterlijk dezelfde woorden in te vullen als er in de oorspronkelijke tekst stonden. Maar ze moeten de strekking overeind houden. Zodat ze gedwongen zijn in de context naar betekenissen en houvast te zoeken.
Lusteloos moddert het gezelschap voort. “Hoe weet ik nou wat daar stond?” Ik duw, ik trek, wijs op context en woordenboek. Sommigen doen er tien minuten over om twee gaten te vullen. Mijn hoop is gevestigd op twee meiden. Heb ik niet maandag een uur lang heel leuk met hen zitten praten? Zij zullen toch wel…? Maar in hun hoek gebeurt niets. Juliet ziet bleek en wijst mijn hulp humeurig af. En Mary klaagt met haar immer boze gezicht: “Nou ik kan beter aan mijn wiskunde gaan, dit is zulke onzin.”
Ik word boos, te boos. En het duurt even, voordat ik in de gaten heb, dat er achter mijn rug iets vreemds gebeurt. “Juf? Af!” Is dit intens luie Giordano? Dat kan niet. Ik zoek in zijn tekst naar fouten en vind er geen. “Je moet er gewoon goed omheen kijken, naar waar die zin en het stukje ervoor en erna over gaan”, legt hij me uit. Hij heeft het begrepen. Hij heeft begrepen wat een tekst is. Hij incasseert mijn verbijstering als een groot compliment.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.