- blad nr 7
- 5-4-2014
- auteur G. van der Mee
- Redactioneel
Volg de leerling!
‘De data komen mijn oren uit, hoeveel data is teveel?’ vraagt een docent van een basisschool in het Engelse Yorkshire zich wanhopig af. Van het management moet hij steeds meer bewijzen leveren dat de leerlingen goed scoren. ‘Tegen de tijd dat ik de verplichte profielen, spreadsheets en evaluaties heb ingevuld ben ik zo doorgedraaid, dat ik ze niet eens meer kan gebruiken. Het ergste is dat ik het gevoel heb dat ik mijn klas nu slechter ken dan drie jaar geleden’, klaagt hij in Times Educational Supplement. Is deze Engelse praktijk onze toekomst?
Volgend jaar wordt een leerlingvolgsysteem op elke basisschool verplicht. Op dit moment beschikt 95 procent er al over, maar de verschillen per school zijn groot. Zo laat Bas Moll, directeur van de Anne Frankschool in Amsterdam, als een van de weinigen, de ouders digitaal meekijken. Er zijn ook scholen die een overzicht van toetsresultaten op papier voldoende vinden. Trudy Melzer werkt al vijftien jaar met een volgsysteem voor kleuters. Toetsontwikkelaar Teije de Vos vindt dat scholen zich door inspectie en besturen vooral niet gek moeten laten maken. Op Linkedin wordt er onder gebruikers veel gediscussieerd over de voor- en nadelen van de verschillende systemen. Willen we Kijk of toch maar Zien?
1. Welk systeem is het best?
Het hangt ervan af wat je wilt. De PO-raad heeft in 2011 het Kohnstamm Instituut gevraagd onderzoek te doen naar leerlingvolgsystemen. In hun studie Gebruiksvriendelijke leerlingvolgsystemen in het primair onderwijs onderzochten ze er vier. Het Cito Leerling- en Onderwijsvolgsysteem (LOVS), Esis-B, ParnaSsys en Dotcom. LOVS en ParnaSsys zijn, met elk zo’n vierduizend abonnees, het grootst. Volgens Jacqueline Visser, van het Cito, overlapt het elkaar, want scholen gebruiken vaak twee systemen naast elkaar. ParnaSsys en Esis-B zijn namelijk registratiesystemen waarin toetsen en andere gegevens moeten worden ingevoerd, vervolgens laten ze de ontwikkeling van de leerlingen zien. ParnaSsys heeft als enige een ‘ouderportaal’. Het LOVS is het enige complete volgsysteem met eigen Cito-toetsen. De onderzoekers noemen het ‘psychometrisch’ sterk, georiënteerd op individueel, groeps- en schoolniveau. Alleen andere gegevens, zoals methodegebonden toetsen, kunnen daarin niet ingevoerd worden. Bij ParnaSsys (‘psychometrisch minder sterk, niveauwaarden zijn gebaseerd op onduidelijke aannamen’), kan dat wel, dat geldt ook voor Esis-B. Volgens Visser zijn er momenteel weinig scholen die de toetsen al digitaal afnemen. “De overgrote meerderheid toetst op papier en voert de gegevens handmatig in.”
2. Zijn er klachten over de gebruiksvriendelijkheid?
Vooral de beginnende gebruikers vinden LOVS en ParnasSys onoverzichtelijk. “Ik kan me voorstellen dat het voor beginners heel veel is wat er op ze afkomt”, zegt Visser van het Cito. Verder merken de onderzoekers op dat er lang niet altijd gebruik wordt gemaakt van alle mogelijkheden in een programma. Zo worden expertsystemen, voor het uitwerken van handelingsplannen, nauwelijks gebruikt. Als er met flexibele groepen wordt gewerkt is het uitvoeren van analyses op groepsniveau niet mogelijk. Directeur Moll vindt ParnaSsys behoorlijk gebruiksvriendelijk. “We zijn wel met scholing bezig geweest, maar je hebt op internet ook allemaal instructiefilmpjes.” Peter Bult, directeur van de Mgr. Niermanschool in Meppel (honderd leerlingen), gebruikt van het Cito de toetsen, die worden schriftelijk gemaakt en ingevoerd in het leerlingsysteem (Maatwerk) dat weer gecombineerd kan worden met het administratiesysteem (Winsas). “Ons systeem is zo makkelijk, dat kan de conciërge ook.” Sinds kort wordt er nóg een systeem gebruikt, Viseon (Cito) voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerling. Dat is wel digitaal.
3. Hoe toetsdeskundig is het onderwijspersoneel?
Daarover maakt iedereen zich zorgen. “Ik ben de enige op onze school die een cursus heeft gevolgd, ik heb mijn collega’s er wegwijs in gemaakt”, vertelt Trudy Melzer, van de St. Nicolaasschool in Nieuwveen. De onderzoekers van het Kohnstamm Instituut vinden het zorgelijk dat het scholingsniveau van de docenten te laag is, waardoor ze niet alle mogelijkheden uit het systeem benutten. Daardoor laat ook de interpretatie van de gegevens vaak te wensen over. ‘Soms lijkt het erop dat scholen alleen gebruikmaken van leerlingvolgsystemen om gegevens voor de inspectie en de raden van toezicht op te kunnen leveren, in plaats van het te gebruiken om hun eigen onderwijsresultaten te evalueren.’ Er ontbreekt nogal wat aan de toetsdeskundigheid, vindt ook Visser. Veel leerkrachten weten niet hoe ze de vaardigheidsscores moeten interpreteren en hanteren dan maar eenvoudiger maten. “Wij geven veel voorlichting en hebben gesprekken met de pabo’s.” Uit een online onderzoek dat Kennisnet vorig jaar deed blijkt dat de helft van de pas afgestudeerde leraren negatief is over hun voorbereiding op de inzet van ict, waaronder leerlingvolgsystemen.
4. Is het handig als ouders meekijken?
Bas Moll van de Anne Frankschool (driehonderd leerlingen) vindt van wel, maar hij is wel een uitzondering. Bijna alle besturen in het basisonderwijs zijn van plan om ouders toe te laten tot een deel van de gegevens, maar nu is dat nog maar 9 procent. Moll gebruikt ParnaSsys, het enige registratiesysteem met een ouderportaal. “Ik doe dit nu vier jaar en ik ben voorzichtig tevreden. Het heeft maar vier of vijf keer tot gedoe geleid. Op het moment dat een leraar de score van de toets intikt, kunnen ouders dat zien. Dus als Pietje voor spelling onverwacht een D krijgt, moet je dat eerst toelichten.” Moll zou wel meer verfijning willen zien in het systeem. “Mijn enige probleem is dat ik de scores te absoluut vind.” De Meppelse schooldirecteur Bult, ziet geen voordeel in het meekijken van ouders. “We hebben twee keer per jaar een gesprek, met een portfolio en meer als dat nodig is. Nu, met de nieuwe normering van het Cito, moet je uitleggen aan ouders dat het niveau lager is geworden, terwijl de schaalscore omhoog is gegaan. Daar worden we niet vrolijk van. Eigenlijk gaat het er vooral om dat ouders de leerkracht vertrouwen.” Het Cito wil voorlopig geen ouderportal. Visser vindt dat je de gegevens voor ouders moet vertalen. “Wij werken wel met ouderflyers, om allerlei zaken uit te leggen.”
5. Wordt de kleuter ook gevolgd?
Ja. Vorig jaar verbood de Tweede Kamer de kleutertoets (er werd zelfs gesproken van ‘kindermishandeling’), maar volgens Melzer is die toets ook helemaal niet nodig met een leerlingvolgsysteem. Vijftien jaar geleden koos zij voor haar St. Nicolaasschool het Gouds Ontwikkelings Volgsysteem voor kleuters. “We hebben het inmiddels zelf gedigitaliseerd, dat is heel veel werk geweest. Er is veel op de markt, maar wij vonden ons systeem het beste omdat je het helemaal zelf kan aanpassen. Je moet het zien als een rode draad, naast je observaties.” Als ervaren kleuterjuf weet ze dat een kleuter grillig is in zijn ontwikkeling. Wat hij maandag niet weet, beheerst hij dinsdag ineens wel. “Toch is het voor pas afgestudeerden of mensen van de bovenbouw een steuntje in de rug.”
6. Is een volgsysteem in het voortgezet onderwijs ook verplicht?
Nog niet, maar in het regeerakkoord staat het wel als wens geformuleerd. Volgens het onderzoek Gebruik van en ervaringen met leerlingvolgsystemen in het voortgezet onderwijs van Oberon vinden besturen het niet erg als er een wettelijke verplichting komt, maar willen ze wel de vrijheid houden van een eigen toetsbeleid. Met teveel voorschriften van de overheid vrezen ze een ‘afrekencultuur’. Het voortgezet onderwijs heeft zowel toetsvolgsystemen (70 procent) als schooladministratiesystemen (100 procent). Columnist Ton van Haperen, docent economie, beschreef vorig jaar in het Onderwijsblad hoe een neutraal registratiesysteem als Magister steeds meer misbruikt wordt voor allerlei andere zaken. “Ik vind het prima om de cijfers en absenten in te vullen”, licht hij toe. “Alleen wordt er nu opeens van je verlangd dat je alles noteert. Als Marleen zit te kletsen kun je dat beter direct in de les oplossen. Een opmerking als ‘Marleen zat te kletsen’ in Magister, lost namelijk niets op.” Hij vreest dat er steeds meer sturingsinstrumenten het onderwijs binnenkomen die de deskundigheid van de docent overnemen. Als voorbeeld noemt hij de komst van het toetssysteem RTTI. “Het gaat om het maken en evalueren van toetsen, een vaardigheid die iedere docent allang heeft.”
7. Zal de Engelse toetsmanie hier ook toeslaan?
De Kohnstamm-onderzoekers waarschuwen dat leerlingvolgsystemen niet gebruikt kunnen worden voor vergaande beslissingen. Teije de Vos vreest dat als veel onafhankelijke toetsen die niets met de methode te maken hebben, de maat worden, zij de inhoud van het onderwijs gaan bepalen. Hij is testontwikkelaar, toetsdeskundige, adviseur bij Boom testuitgevers en schrijft al jaren een blog Toetsen en testen. Hij vindt dat scholen zich moeten afvragen waarom ze willen toetsen en wat ze ermee voor ogen hebben? ‘Veel scholen denken dat het moet van inspectie, maar die vraagt nu alleen verantwoording van tussenresultaten’, mailt hij.
8. Gaat het volgsysteem de eindtoets vervangen?
Daar ziet het wel naar uit. Omdat in 2015 de uitslag van de eindtoets pas op 10 mei bekend is, hebben veel middelbare scholen nu besloten dat ze het volgsysteem naast het schooladvies gebruiken. Peter Bult doet dit al jaren. Zijn bestuur (35 scholen) heeft dat met het middelbaar onderwijs in Meppel afgesproken. Bult vindt de eindtoets inmiddels overbodig. “Het levert alleen maar stress op bij mijn collega-directeuren. Om te voorkomen dat ze door de toets een zwakke school worden gaan ze veel oefenen. Teaching to the test, noemen we dat. Willen we dat?”