• blad nr 7
  • 5-4-2014
  • auteur J. van Aken 
  • Redactioneel

Snelle daling van (zeer) zwakke scholen 

‘De vlag kan uit, maar zonder wimpel’

In vijf jaar tijd daalde het aandeel (zeer) zwakke basisscholen landelijk van 10,6 naar 2,2 procent. In Almere was zelfs een derde van de 76 scholen zwak of zeer zwak in 2010. Nu zijn dat er nog twee. Hoe is deze snelle daling tot stand gekomen?

Directeur Annemieke Kiel van basisschool de Optimist in Almere windt geen doekjes om de situatie die ze aantrof bij haar aantreden. “De school was een stuurloos schip geworden.” De Optimist was in april 2011 door de Onderwijsinspectie tot zwakke school bestempeld en zou dat tweeënhalf jaar blijven. “Leerkrachten wisten niet goed hoe ze konden aansluiten bij wat leerlingen nodig hadden”, blikt Kiel terug op haar start in januari 2013. Dat resulteerde in lage resultaten en gedragsproblemen. “Het was in sommige groepen af en toe chaotisch doordat leerkrachten niet duidelijk maakten welk gedrag ze van kinderen verwachtten in de klas en op het plein. Wat gebeurt hier, dacht ik soms.”
De Optimist was een van de vele scholen in Almere die zwak of zeer zwak waren. In 2010 had een derde, 25 van de 76 basisscholen, een onvoldoende inspectieoordeel. Er waren nogal wat scholen die werkten met een ‘çoncept’ als ontwikkelingsgericht onderwijs of dalton, vertelt Joke van Putten, teamleider primair onderwijs Amsterdam en omgeving bij de Onderwijsinspectie. “De gedachte was: Dit is een mooi concept, zonder te kijken of het aansloot bij wat kinderen nodig hadden. Historisch gezien vonden ze in Almere opbrengsten niet zo belangrijk. Men was tevreden als het pedagogisch klimaat in de klas goed was. Scholen hebben die concepten losgelaten en richten zich op opbrengstgericht werken, duidelijke instructie en leerlingen betrekken bij de les. Op die vlakken scoorden ze onder het landelijk gemiddelde.” Ook was het door een lerarentekort moeilijk goede leerkrachten te vinden. “En als een school zwak wordt, is het zeker niet makkelijker om goede leraren aan te stellen”, weet Van Putten.
Toch dient het onderwijs de hand vooral in eigen boezem te steken, volgens Peter Sleegers, hoogleraar onderwijskunde bij de Universiteit Twente en senior-partner bij adviesbureau BMC. “Het gaat om de kwaliteit van leerkrachten en de schoolleiding en die was niet overal optimaal. Wat bepaalt of een school zwak wordt, is in hoeverre leerkrachten basisvaardigheden beheersen als goed orde houden, duidelijke instructie geven en leerlingen actief betrekken”, zegt Sleegers.

Verbeterplan
In 2010 kondigde de Almeerse onderwijswethouder René Peeters aan dat er geen zwakke scholen meer zouden zijn in 2014. Dat is nagenoeg gelukt: eind februari waren er nog twee volgens de inspectie. “Het is het resultaat van samenwerking tussen gemeente, inspectie en besturen”, zegt Van Putten. “De inspectie presenteerde regioanalyses om te laten zien waar het onderwijs onder de maat was. Schoolbesturen waren alert op verbetering van de onderwijskwaliteit. En de gemeente zette behoorlijk wat financiële middelen in.”
Zo lanceerde Almere de verbeteraanpak ‘Scholen die ertoe doen’. “De kern van het plan was om het lesgedrag van leerkrachten en de schoolorganisatie te verbeteren”, vertelt Sleegers die bij de uitvoering betrokken was. Externe deskundigen bekeken het curriculum van 32 scholen en observeerden leerkrachten. “Zij constateerden bijvoorbeeld dat het directe instructiemodel beter uitgevoerd kon worden en dat leerdoelen duidelijker moesten zijn”, vertelt Sleegers. Aan de hand daarvan maakte de schoolleiding met hulp van buiten een verbeterplan. “Ze leerden bijvoorbeeld hoe ze leerkrachten kunnen ondersteunen bij planmatig werken.”
Basisschool de Optimist, een school met negentien groepen en een kleine vijfhonderd kinderen, was een van de deelnemers aan ‘Scholen die ertoe doen’. Het bestuur verving het managementteam en de intern begeleiders van de zwakke school. De nieuwe driekoppige schoolleiding koos voor een intensieve aanpak van het leesonderwijs omdat de opbrengsten voor begrijpend en technisch lezen te laag waren. “Als managementteam hebben we leerkrachten geschoold in het juiste gebruik van de methode technisch lezen. Tevens hebben we een nieuwe methode begrijpend lezen aangeschaft en de leerkrachten geleerd hoe je een goede les begrijpend lezen opbouwt.”
Ook het rekenonderwijs is op voldoende niveau gebracht. “Er moest een lijn komen in hoeveel uur je lesgeeft en hoe je de methode gebruikt. Doelgerichte instructie is essentieel.”
Het managementteam had opdracht in korte tijd te beoordelen wie van het leerkrachtenkorps het niveau haalt en wie niet. “We hebben veel klassenbezoeken afgelegd en met leerkrachten prestatieafspraken gemaakt over hun eventuele ontwikkelpunten. Leerkrachten kregen scholing en coaching, waardoor velen opbloeiden.” Ook is een behoorlijk aantal mensen vertrokken. “Sommigen uit zichzelf omdat ze er erg hard aan moesten trekken om op niveau te komen. Anderen zijn overgeplaatst binnen het bestuur”, vertelt Kiel.
De school had dat ook nodig, constateert ze. “Na zoveel jaar werken in een moeizaam functionerende school hebben mensen soms niet meer de handvatten voor verbeteringen. Nieuwe leerkrachten zijn dan nodig om die cirkel te doorbreken. Je ziet nu veel meer samenwerking ontstaan: collega’s gaan bij elkaar zitten om lessen voor te bereiden of een aanpak voor een kind te bedenken.”
De school heeft sinds september 2013 een basisarrangement, dat betekent dat de inspectie vertrouwen heeft in de kwaliteit van de school. De leerlingenzorg is volgens de inspectie wel nog een punt van aandacht. De school herkent dit. “Er is tijd nodig, want een achterstand van jaren is niet in een keer weggewerkt”, verklaart de directeur.
Sleegers heeft de effecten van de verbeteraanpak ‘Scholen die ertoe doen’ gemeten. Op een meerderheid van de scholen in Almere geven leraren nu betere instructie. De schoolorganisatie is ook verbeterd, een belangrijke voorwaarde voor effectief lesgedrag. Sleegers: “Over het onderwijskundig leiderschap zijn leerkrachten positiever. En ze zijn tevreden over de toegenomen aandacht voor professionele ontwikkeling. Elkaar aanspreken op kwaliteit gaat moeizaam, maar wel steeds beter.”
Sleegers vindt het spannend of scholen de kwaliteit op peil houden. “Het is lastig om de focus op opbrengsten te houden, want er komt van alles op leerkrachten en schoolleiders af. Daarom blijft voor een aantal scholen extra geld voor professionalisering en ondersteuning belangrijk. Anders zou er een terugval kunnen plaatsvinden.”

Alert
Bij het voorkomen van een terugval speelt kwaliteitszorg een belangrijke rol. Dat merken ze ook bij Stichting PCPO de Vier Windstreken in Gouda waar in 2009 vier van de zeventien scholen zwak waren. Het vormde de aanleiding om Henk van der Woude aan te stellen als beleidsmedewerker onderwijs en kwaliteit. “De functie bestond nog niet, dus ik ben gaan pionieren.” Hij zorgde ervoor dat alle scholen hetzelfde leerlingvolgsysteem gebruiken, doelen stellen en meten of die gehaald worden. “Ik merk dat de meeste schoolleiders en ib’ers nu een beeld van de resultaten hebben en daarmee aan de slag gaan. Dat is een groot verschil met 2009, toen moest ik mensen veel meer bij de hand nemen.”
Samen met de collegevoorzitter doet Van der Woude schoolbezoeken, elk half jaar nemen ze de scores van tussentoetsen door. Als de resultaten achteruitgaan, maken de scholen een plan van aanpak. “Van een groep met 40 procent zwakke lezers werd vroeger soms gezegd dat het een zwakke groep was. Dat was een statisch gegeven. Nu bekijken we wat we daarmee kunnen. Een school ging bijvoorbeeld van vijf keer lezen per week naar twee keer per dag voor sommige kinderen. Ook hebben we gekeken hoe leerkrachten met de instructie beter bij zwakke lezers kunnen aansluiten.”
De winst van deze werkwijze is dat alle scholen van de Vier Windstreken nu basistoezicht hebben, oftewel het vertrouwen van de inspectie hebben. Het is belangrijk om blijvend alert te zijn, vindt Van der Woude. “Resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor basistoezicht in de toekomst.”

{groot kader}
‘Scholen zien dat het menens is’

Ruim vijf jaar geleden was een op de tien basisscholen zwak of zeer zwak. De onderwijswethouders van de vier grote steden luidden in 2008 de noodklok omdat ze gezamenlijk meer dan honderd (zeer) zwakke scholen hadden. Er kwamen actieplannen, zoals de ‘Kwaliteitsaanpak Basisonderwijs Amsterdam’ en ‘Beter Presteren’ in Rotterdam, waarmee de gemeenten miljoenen euro’s investeerden in de onderwijskwaliteit. Met resultaat: Amsterdam telt nu acht zwakke scholen op een totaal van 209, volgens de inspectie. In Rotterdam zijn er elf zwakke scholen (5,7 procent) en één zeer zwakke school op een totaal van 194. Landelijk is het aandeel (zeer) zwakke basisscholen in iets meer dan vijf jaar tijd gedaald van 10,6 naar 2,2 procent. Van 108 zeer zwakke scholen in 2009 naar 21 in maart 2014. Hoe is deze snelle daling tot stand gekomen?
De actieplannen en de extra investeringen hebben zeker bijgedragen aan de snelle daling, stelt
Onderwijsinspecteur Vic van den Broek d’Obrenan. Ze is coördinerend inspecteur met als aandachtsgebied onder andere zwakke en zeer zwakke scholen. “Er ontstond politiek-maatschappelijke druk om niet langer te tolereren dat er zoveel zwakke scholen waren. Ook vanuit het onderwijs zelf werd niet meer gedoogd dat kinderen slecht les kregen.” Scholen kregen na een negatief inspectieoordeel een externe analyse van de oorzaken aangeboden en vliegende brigades ondersteunden scholen bij verbeteringen. “Het besef van urgentie is toegenomen bij besturen. Dat helpt om een opbrengstgerichte cultuur tot stand te brengen.”
Ook de inspectie zelf speelt een rol doordat de mogelijkheden om in te grijpen zijn uitgebreid. “We sturen sterk op verbeterplannen. Scholen hebben maximaal twee jaar de tijd om zich te verbeteren, maar we wachten niet twee jaar rustig af”, zegt Van den Broek d’Obrenan. Tussentijdse kwaliteitsonderzoeken zijn geïntroduceerd om na een jaar te beoordelen hoe een school ervoor staat. “We verwachten dat scholen binnen een jaar niet meer zeer zwak zijn en het merendeel lukt dat ook. Er is een wetsontwerp in voorbereiding dat de minister de mogelijkheid geeft scholen te sluiten die zich na een jaar niet verbeterd hebben. Het effect is dat scholen zien dat het menens is.”
Preventie via kwaliteitszorg speelt een belangrijke rol. “Dat is de reden dat (zeer) zwakke scholen pas een basisarrangement krijgen als de kwaliteitszorg op orde is.”
Ook wacht de inspectie niet zoals vroeger tot een school drie jaar achtereen onvoldoende resultaten haalt. Ze wijst de scholen erop als hun eindopbrengsten een jaar onvoldoende zijn (17 procent kreeg dit te horen in 2012) en als dat een jaar later opnieuw het geval is, volgt een waarschuwing (5 procent in 2012). Het is een signaal om vroegtijdig in te grijpen en te voorkomen dat scholen zwak worden.
Kan de vlag uit nu het aantal zwakke scholen zo sterk is gedaald of moeten de inspectienormen omhoog? Van den Broek d’Obrenan: “De vlag kan uit, maar misschien moet de wimpel er nog niet aan. Scholen met een basisarrangement stagneren in hun ontwikkeling. Besturen richten hun kwaliteitszorgsysteem vaak in op de inspectienormen, maar dat is echt een ondergrens. We bespreken dan of de doelen afhankelijk van de leerlingpopulatie niet wat ambitieuzer kunnen zijn. De inspectie denkt erover na om dit tot uiting te brengen in de beoordeling om zo bij te dragen aan het formuleren van grotere ambities door besturen.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.