- blad nr 4
- 22-2-2014
- auteur T. van Haperen
- Opinie
Praktijknijd regeert met harde hand
Paul Rosenmöller is voorzitter van de VO-raad. In december schrijft hij in zijn weekjournaal over een werkbezoek aan de sectorraad van de AOb. Hij opent opgewekt. Vakbondsjongens onder elkaar. Daarna komt het belang van samen optrekken naar Den Haag. Stop de bezuinigingen. En dan het verwijt. Leraren stellen zich niet constructief op. Een stelling die uitmondt in: ‘dat wij echt willen dat men stopt met het beschimpen van schoolbestuurders en hen niet met de meest grove kwalificaties bejegent’.
Het beeld van Rosenmöller dient vast een doel, maar het is vals. Het beschimpen van bestuurders valt namelijk reuze mee. En optrekken met leraren doet de VO-raad nooit. Integendeel. Samen met de politiek wuiven bestuurders praktijkargumenten keer op keer weg. De retoriek van beleidsmakers rond het beroep leraar mag hoogdravend zijn. De termen passie en inspiratie vallen regelmatig. In het handelen tellen enkel de observaties van technocraten. Dat is nu praktijknijd.
Laveren met kennis
Leraren hebben namelijk iets wat niet-leraren ontberen: praktijkkennis. Kijk naar een ervaren docent. Hoe die een klas binnenloopt. Jij ziet niet wat hij precies doet, maar hij doet het. Een paar minuten later, zitten de leerlingen met het leerboek op de juiste pagina opengeslagen te luisteren. Vanaf dan gaat de les ergens over. De voorwaarden voor leren zijn aanwezig. De leraar krijgt dat als vanzelf voor elkaar omdat hij weet wat interessant is voor kinderen. Hij heeft een anekdote paraat, waarna hij doorschakelt naar wat moeilijk is in het schoolvak, gevolgd door een vraag die het geleerde controleert en zichtbaar maakt. Over hoe kinderen zich in een klas horen te gedragen, twijfelt hij zelden. Dit alles weet hij niet alleen, het zit in hem.
Deze praktijkkennis is ambachtelijk en ondeelbaar. Lesgeven is een totaalbaan, die bestaat uit ontwerpen, doen en evalueren. Als ik een les bedenk, merk ik in de uitvoering hoe dat uitpakt, heb ik mee- en tegenvallers, die leiden tot bijstellingen, wat weer van belang is bij de beoordeling van mijn leerlingen. Zo neem ik op een dag tientallen beslissingen. En ja, laveren met schoolkennis, in een drukke schoolorganisatie, ik kan dat. Op basis van die handigheid heb ik opvattingen. Praktijkopvattingen. Dus als de inspectie de nadruk legt op omgaan met verschillen, kijk ik naar mijn leerlingen en inderdaad, ze verschillen. Een beetje dan, want wij werken met homogene groepen. Toch wil ik met die verschillen best rekening houden. Maar zes lessen op een dag, met telkens dertig andere kinderen, maakt dit ook lastig. De technocraat zegt dan: ‘Uit onderzoek blijkt dat grote groepen net zo effectief zijn als kleine. Evidence based, weet je wel.’ Waarna de inspectie in haar laatste jaarverslag mij en mijn collega’s keihard afrekent op de onmogelijke opdracht ‘omgaan met verschillen’.
Toetsmonopolist
Praktijknijd is een denkpatroon dat in de huidige machtsverhoudingen als vanzelf overgaat in beleid. Specialisten onderzoeken een splinter van de lespraktijk. Toetsen, taakbelasting, activiteit leerlingen, leeropbrengst, beloning, professionalisering. En die splinter kan altijd beter. Dat blijkt uit onderzoek. Maar vergeten wordt dat vele splinters geen balk maken.
Een voorbeeld. Het Cito heeft aan dagtaak aan valide en betrouwbaar toetsen. Vanuit die expertise concludeert de toetsmonopolist: leraren beoordelen hun leerlingen onzorgvuldig. Kan zijn, maar het gaat mij eerst om leren, dan om beoordelen, ik geef daarom ook feedback, organiseer succeservaringen – laat me nou even. Maar de argumentatielijn van de specialist wint. Leraren bepalen niet meer het punt van het centraal schriftelijke examen. Dat doet het College voor Examens. De tweede correctie krijgt een nieuwe procedure. Scholen kopen toetsprotocollen in. In de onderbouw van het voortgezet onderwijs komt vanaf 2015 een leerlingvolgsysteem met door het Cito ontwikkeld materiaal. Door deze druk van buiten stemmen leraren de toets niet meer af op wat kinderen leren, maar ze leren kinderen wat op de toets komt. Het ontwerp laten ze aan de lesmethode of ze plukken oude examenopgaven van het internet. De leraar met zijn praktijkkennis bepaalt al lang niet meer wat de Nederlandse jeugd waard is. Dat doet de specialist van buiten.
Kabouter
Het maatschappelijk rendement van door praktijknijd gedreven beleid is negatief. Altijd. Ga mee terug naar het einde van de jaren negentig. Onderwijskundigen constateren dat leerlingen zich op school passief en calculerend gedragen. Het antwoord heet ‘studiehuis’. Daarin nemen leerlingen verantwoordelijkheid. Gaan harder werken. Dat verbetert de aansluiting met het vervolgonderwijs. Vanuit een geromantiseerd beeld van de oude hbs verbreedt de politiek ook het curriculum. Het tegenargument van de praktijk luidt: meer vakken, meer eindtermen, zelfstandig leren, in dezelfde tijd - vergeet het maar. Vijftien jaar later is de aansluiting met het vervolgonderwijs zo brak als een alcoholist in de ochtend. De voorbeelden van door praktijknijd gedreven falen zijn talrijk. Bij elkaar opgeteld leiden ze naar een vernietigend eindspel: de kabouterisering van de leraar.
Vergelijk het met een tennispartij. De umpire zit hoog op zijn stoel. Speler één serveert. De return suist naar de hoek. Speler één slaat terug. Uit. De volgende servicebeurt, hetzelfde. En dan heeft de umpire er genoeg van. Hij komt van zijn hoge stoel af, loopt naar de serverende speler en zegt: ‘Uit onderzoek blijkt dat je bij de backhand het racket een slag moet draaien en je kunt ook wat dieper door je knieën. Wil je daar op letten? Want zo wordt het nooit een wedstrijd!’ De speler antwoordt: ‘Ik probeer dat ook, maar er kijken miljoenen mensen en die jongen aan de overkant slaat best hard.’ Na de wedstrijd herhaalt de scheidsrechter op de persconferentie zijn verhaal. De spelers komen niet aan het woord. Ga zo veertig jaar met tennis om en de scheidsrechter is de reus, de speler de kabouter.
De voorzitter van de Onderwijsraad, Geert ten Dam, zegt in het dagblad De Limburger dat leraren steeds vaker uitvoerders zijn van elders bedachte concepten. Klopt, wij schrapen leraren van de bodem van het hoger onderwijs, leiden ze losjes op en zetten ze daarna in een kring van schreeuwende buitenstaanders. ‘Dat doe je verkeerd, dat moet je zo doen, dat blijkt uit onderzoek.’ Goed presterende onderwijsstelsels als Finland, Shanghai en Zuid-Korea werven leraren uit het slimste kwart van de universiteiten en vertrouwen vervolgens op de praktijkkennis. Echt, dat laatste is beter.