• blad nr 4
  • 22-2-2014
  • auteur B. Hoogenboom 
  • Kleine column

 

Naar een lerende samenleving

Politici slaan ons al jaren om de oren met de noodzaak van een kenniseconomie. Het is een van de weinige onderwerpen waarover men het in Den Haag eens lijkt te zijn. In de polonaise van opeenvolgende kabinetten bezigden bewindslieden termen als 'excellentie', 'hoogvlakte met toppen' en 'top vijf'. Een uitzondering daargelaten ging het doorgaans gepaard met de nodige zuinigheid: het mag niet te veel kosten.
Met de ambities is de AOb het op hoofdlijnen eens. Natuurlijk, de focus op excellentie vinden we te beperkt, de middelen die worden vrijgemaakt om de ambities waar te maken te bescheiden en we hebben het liever over een kennissamenleving dan over een kenniseconomie. Toen Rutte-II aantrad en verder ging op de ingeslagen weg, hebben we de nieuwe ploeg als vanouds aangemoedigd om iets verder te kijken en om steviger te investeren.
Maar toch, de mantra's van de bewindslieden zijn wat sleets en omdat de ambities doorgaans worden onderbouwd met bescheiden middelen, merk je dat mensen in het onderwijs vaker en dieper gaan zuchten als de kenniseconomie of kennissamenleving ter sprake komt.
Het is misschien logisch, maar ik vind het te cynisch om het dossier dan maar als mislukt te beschouwen. Gelukkig kwam de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) afgelopen november met een stevig advies voor een volgende stap: het concept 'kenniseconomie' voldoet niet meer en de 'lerende economie' moet worden omarmd. Het aloude idee dat een kenniseconomie drijft op een beperkt aantal topsectoren wordt losgelaten. Het moet gaan om het 'menselijk kapitaal', waarbij een goed opgeleide beroepsbevolking het belangrijkste beleidsdoel is.
Tegen die achtergrond durft de WRR de criteria van de Pisa-rankings waarmee internationale lijsten worden samengesteld doodleuk ter discussie te stellen: wie weet heeft de maatschappij over een paar jaar behoefte aan totaal andere kennis. Met dat soort ontwikkelingen moeten we volgens de WRR leren omgaan.
Daarnaast lezen we de bekende zorgen ook in deze notitie. Zo mist men bij leraren de druk om zich permanent bij te scholen en vindt men de cultuur in het onderwijs vaak te gesloten. Tegelijkertijd wordt gewezen op het gemak waarmee onbevoegden voor de klas worden gezet in het vo en trekt men de wel heel bescheiden functie-eisen voor een docent in het mbo in twijfel. De WRR wijst er verder op dat lerarensalarissen een makkelijke prooi zijn bij bezuinigingen en dat dit negatieve gevolgen heeft op onze arbeidsmarkt. Enzovoorts.
Ik kan er smalend over doen en wijzen op de weeffouten die we aantroffen in het rapport van deze club, maar dat ben ik niet van plan. Op hoofdlijnen heeft de WRR een goed verhaal. Met kansen voor het onderwijs. Maar ook met plichten voor de beroepsgroepen die we bij de AOb vertegenwoordigen. Een prikkelend verhaal. Eén ding: bij de AOb hebben we het liever over de lerende samenleving dan over de lerende economie.
Ben Hoogenboom
bestuurder AOb

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.