- blad nr 15
- 9-9-2000
- auteur . Overige
- Het essay
Het spook van de tweedeling
Toch hebben zij die het spook zien ongelijk. Het beeld van de tweedeling is veel te simpel. Vroeger bestond er een overzichtelijk scala van standen. Was men in een van de Œbetere standen¹ geboren, dan behoorde men daar voor het hele verdere leven toe, ook al bracht men er maatschappelijk niets van terecht. Mensen uit de lagere standen die door hard werken en een scherp verstand rijk werden, bleef men toch altijd zien als parvenu¹s, als nouveaux riches. Het duurde soms een paar generaties voor men in de hogere kringen als gelijkwaardig werd aanvaard. Tot ver in de vorige eeuw kende onze samenleving niet alleen een rijke schakering van horizontale stratificaties maar ook een minstens zo sterke verticale opdeling. Dat was de verdeling in zuilen: rooms-katholiek, protestants (onderling sterk verdeeld) en min of meer buitenkerkelijk.
Sinds enige decennia geleden de deconfessionalisering begon, zijn de vroeger zeer duidelijke scheidslijnen tussen de traditionele zuilen steeds verder vervaagd en ook die tussen de standen lijken verdwenen. Er is nog slechts sprake van een tweedeling. Maar wie scherper toeziet, weet dat het heel wat in-gewikkelder is. Natuurlijk lopen er vele scheidslijnen door de samenleving: horizontale maar ook nieuwe, zeer scherpe verticale: hindoeïsme en islam. Het is niet gemakkelijk aan te geven hoeveel geledingen er precies zijn, maar zeker een veelvoud van twee. In de visie van de tweedelers echter - je zou ze op z¹n Frans les terribles simplificateurs kunnen noemen - is er slechts één onderklasse. Die kenmerkt zich door lage opleiding, hoge werkloosheid, verbale en materiële armoede, taalachterstand en slechte behuizing. De kinderen brengen er op school weinig of niets van terecht en vervallen vaak tot criminaliteit als gevolg van de uitzichtloze situatie waarin ze opgroeien. Alles wat onder die horizontale scheidingslijn leeft, behoort tot de onderklasse, de rest zit erboven. Was het maar zo eenvoudig.
De horizontale scheidslijnen zijn er nog volop. Het is nu het verschil in opleiding en inkomen waarlangs ze worden getrokken. Ze worden concreet zichtbaar in woonwijken en daarbij behorende scholen. Ook zonder etnische minderheden zou dat in onze moderne, meritocratische samenleving zo zijn. Ook dan stuurden de welvarende middenklassers hun kinderen naar scholen bevolkt door leerlingen van ongeveer gelijke maatschappelijke status. De beheersstructuur van ons onderwijs berust op de bijna verdwenen verzuiling. Wat ooit werd bedacht om de verschillende godsdienstige groeperingen hun eigen school te geven, behoedt nu de kinderen uit de middenklasse voor ongewenste contacten met allochtonen en autochtone minvermogenden. De brede multiculturele school is voor de armen in de armere buurten en, zoals dit blad onlangs vaststelde, meestal openbaar en overwegend zwart. De warme pleitbezorgers van de brede multiculturele en emancipatoire middenschool sturen hun kinderen naar witte scholen met een hoge (zogenaamd vrijwillige) ouderbijdrage en royale sponsoring. Dat lijkt huichelachtig en dat is het ook, maar toch hebben ze gelijk. Ze willen het beste onderwijs voor hun kind en ze weten donders goed waar de kansen op doorstroming naar vwo en havo het grootst zijn. En daar willen ze, zo nodig grof, ook best voor betalen.
Schoolsucces
Dat het beeld van een tweedeling een simplificatie is, blijkt ook binnen de allochtone groeperingen. Die het minst geneigd zijn tot assimilatie en het meest hechten aan godsdienst en traditie, berusten in de situatie of maken gebruik van de grondwettelijke mogelijkheid eigen scholen te stichten. Maar ook valt waar te nemen hoe een ander meer Œverlicht¹ deel der allochtone ouders inziet dat het voor de toekomst van hun kinderen gewenst is dat ze niet meer naar zwarte scholen gaan. Zij eisen, zoals onlangs in Deventer, dat de overheid ervoor zorgt dat hun kinderen naar scholen kunnen met een leerlingenpopulatie die in ruime meerderheid autochtoon is. Zij merken dat de taalachterstand van hun kinderen niet wordt opgeheven door allerlei ad hoc bedachte taalmethoden, maar wel door de dagelijkse onderdompeling van hun kinderen in een autochtoon bad, liefst van standing. Als die ouders nu ook nog het benul krijgen thuis naar de Nederlandse televisie te kijken en zelf, hoe moeizaam ook, Nederlands gaan spreken met hun kroost, dan Œemanciperen¹ ze binnen één generatie naar minstens een van de vele lagere geledingen van de middenklasse, zo niet hoger. Want er is geen enkele reden te veronderstellen dat allochtone kinderen over geringere capaciteiten beschikken dan autochtone. De ongefundeerde suggesties in die richting, recentelijk geuit door Kohnstamm, zijn louter giswerk en als zodanig niet serieus te nemen.
Eenmaal aangeraakt door de begeerte tot emancipatie, werkt onmiddellijk de prikkel van Œde winnende achterstand¹. Daarvan kent onze geschiedenis duidelijke voorbeelden. Tot in de negentiende eeuw was de joodse gemeenschap in ons land, op een kleine minderheid na, het armst en het minst geassimileerd. Maar dat veranderde in de twintigste. Zeer snel steeg het aantal hoger opgeleiden, vooral in de sectoren recht en geneeskunde. In 1940 was het aandeel van de joden in intellectuele beroepen, vergeleken met andere groeperingen, veruit het grootst. Een ander voorbeeld: voor 1940 was ruim veertig procent van de bevolking katholiek gedoopt, maar slechts elf procent van de academici was katholiek. De snelle groei van de deelname van de katholieke jeugd na de Tweede Wereldoorlog aan voortgezet en hoger onderwijs heeft aan die achterstand in minder dan twee generaties een eind gemaakt.
De middenklasse is, net zo min als de onderklasse, een monolithisch geheel maar uiterst gevarieerd. De grenzen tussen de geledingen zijn vaag en heel wat makkelijker te overschrijden (omhoog, maar ook omlaag!) dan die tussen de vroegere standen. In het onderwijs komen ze tot uiting in de ouderbijdragen. Hoe hoger, hoe chiquer en (nog steeds) hoe witter de school. Dat is vanuit een bepaalde, algemeen aanvaarde ethiek weliswaar verwerpelijk - alle mensen zijn immers gelijk of tenminste gelijkwaardig - maar dat is in de harde praktijk helaas niet zo. Isaäc da Costa zei in zijn ŒBezwaren tegen den geest der eeuw¹ (1823) dat God de standen heeft gewild, anders zouden ze er niet zijn. En dat geldt evenzeer voor onze meritocratische samenleving. Alleen gaat het nu niet meer zozeer om geboorte, hoewel dat nog wel helpt, maar om de mate van schoolsucces en de daaruit voortvloeiende materiële welstand. En daar is weinig aan te doen. Of we, zoals Da Costa, de oorzaak leggen bij een schepper of in de menselijke natuur, een klassenloze samenleving is en blijft een volstrekte utopie en misschien niet eens zo¹n mooie. Zoals vroeger vrijwel uitsluitend binnen de eigen stand werd getrouwd, zo vindt men tegenwoordig de procreatiepartner in de maatschappelijke groepering waartoe men behoort en zoals men die aantreft in buurt(huizen), scholen, sportverenigingen, studentencorpora etq. Wie een partner vindt op de hangplek in een verpauperde achterbuurt zal waarschijnlijk de drop-outs van het vmbo voortbrengen, hoeveel extra geld er ook in de scholen in die buurt wordt gestoken. De weinige uitzonderingen bevestigen hoogstens de regel. Het is een uitzichtloze situatie want de natuur blijft sterker dan welke gelijkheidsleer ook.
Spreiding
Er zullen derhalve altijd arme en rijke scholen blijven. Netelenbos heeft indertijd wel getracht de Œvrijwillige¹ ouderbijdrage en de sponsoring aan banden te leggen maar de weerstand ertegen was te groot. Het argument dat de rijksvergoedingen te gering waren om kwaliteitsonderwijs te leveren was onweerlegbaar. Aan de arme scholen in of bij achterstandswijken is het werk zwaar en ondankbaar. De betere leraren worden weggelokt door de gunstiger omstandigheden elders. Daar helpt extra salaris niet aan. Dat wil niet zeggen dat de overheid dat extra geld niet moet blijven geven. Het is de onmisbare aflaat waarmee het geweten gesust wordt. En natuurlijk moet de overheid de wens van verlichte allochtone ouders honoreren en spreiding stimuleren.
Artikel 1 van de grondwet luidt: Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras of geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.¹ Alle confessionele scholen, die al sinds jaren leerlingen van een andere dan de eigen denominatie en ook buitenkerkelijken toelaten, moeten op grond van artikel 1 algemeen toegankelijk zijn, net als de meeste algemeen bijzondere scholen. Die laatste dekken zich overigens met redelijk succes in tegen de intocht van allochtonen door hoge ouderbijdragen te verlangen. Als er toch onderscheid wordt gemaakt bij de toelating, is er sprake van een détournement de pouvoir, zoals het PvdA-Kamerlid Barth ooit terecht in Socialisme en democratie (1999, nr. 5) opmerkte. Jammer dat ze daar in de Kamer nooit op is teruggekomen. Daar verschool staatssecretaris Adelmund zich achter de vrijheid van schoolkeuze die ouders zouden hebben. Maar zolang besturen van bijzondere scholen leerlingen de toegang kunnen ontzeggen, is die vrijheid een wassen neus. En de middenklasse is politiek te machtig om een daadwerkelijk spreidingsbeleid te aanvaarden. Dat is heel erg want ook allochtone kinderen hebben bij gelijke aanleg recht op gelijke kansen. Maar het goedkoopste middel om taalachterstand te bestrijden (spreiding kost niets!), maakt geen kans. De weerstand ertegen zal altijd sterker blijken dan welke maatregel ook. Wie in de onderste lagen van onze samenleving geboren wordt, zal alleen door eigen kracht daaruit kunnen komen. Dat kostte in de negentiende eeuw enige generaties, nu kan het vlugger. Misschien mag dat toch vooruitgang heten.