- blad nr 4
- 22-2-2014
- auteur W. de Lange, de
- Column
Fusie
Het gekke is: de onbegrijpelijke en onverstaanbare uitspraak van de docent over de lunch snapten we meteen: wie wil klagen over de lunch, moet bij hem zijn. Van de keurige, afgemeten zin van de meneer begrijpen we niets. Visievorming is de sleutel tot succes. Hoe kan een eerlijk mens zulke dingen zeggen, zonder te lachen, rood te worden, op te stijgen of in slijm te veranderen?
“Een scherpe, schooleigen ontwikkelvraag”, wenst de meneer ons en vooral ook zichzelf toe. “Wat is de koersuitspraak die jullie mét elkaar sámen hebben uitgesproken?” Ik durf niet om me heen te kijken. Een koersuitspraak? Die wij mét elkaar sámen hebben uitgesproken? Niemand hier denkt hetzelfde over wat dan ook. Bij de één staat de deur altijd open, de ander haat het als er een collega binnenstapt. De één experimenteert vol vertrouwen met alle mogelijke woeste werkvormen. De ander volgt al jaren het boek. De één straft zich het leplazarus, de andere praat, praat, praat.
Er zitten zo’n vijftig docenten in de zaal, van twee vmbo-scholen (basis en kader). Het ene team is gemiddeld jonger en energieker dan het andere, met meer alfa-mannetjes en -vrouwtjes. Het andere team, mijn team, is gemiddeld genomen ervarener, beter op elkaar ingespeeld, wat familie-achtiger. Het kan best een leuke fusie worden.
De meneer is uitgesproken. Ons tafeltje (twee docenten van hen en twee van ons) mag zich vastbijten in concrete kwesties. Nu gaat het over dingen die we begrijpen: hoe moet de toekomstige fusieschool bijvoorbeeld nieuwe docenten opvangen? Moet er veel gecoacht worden? Moeten die coaches getraind zijn? Hoe zit het met lesbezoek over en weer?
Een van de toekomstige collega’s is een harde: “Ik zeg niet dat je niets aan coaching moet doen, maar het is wel een beetje de survival of the fittest wat mij betreft. Zo’n eerste jaar is heel zwaar. Als je dat doorstaat, dan kun je wat. Als je het aflegt, dan ben je ongeschikt. Mij heeft ook niemand geholpen. En het heeft me geen kwaad gedaan. Integendeel.” Ik vind dat deze collega ergens helemaal gelijk heeft en ergens helemaal ongelijk.
Een andere collega toont meer ruggengraat en gaat er frontaal tegenin. Hij heeft natuurlijk ook gelijk. Het botst, maar het wordt geen ruzie. Ik begin me te verheugen op een team waarin robbertjes gevochten kunnen worden zonder vijandigheid.
Er wordt goed doorvergaderd, over boeken, over de vraag waar computers wel en niet goed voor zijn in de les, over leerlingenzorg. Het is al laat en we moeten nog wat zeggen over de concept-visie. “Prachtvisie!”, roepen we in koor, terwijl we het papier zoeken in de wirwar op tafel. “Echt een prima visie!”