• blad nr 3
  • 8-2-2014
  • auteur R. Wisman 
  • Redactioneel

Samenwerkend leren 

‘Voor vinger opsteken is geen plek’

Bij een boekbespreking is één leerling actief, de rest zit er passief bij. Wie samenwerkend of coöperatief leren strategisch toepast in het klaslokaal, is verzekerd van meer leerrendement. Wat is het? En hoe moet het? “Het gaat er niet om wat je weet, het gaat erom dat je wat leert.”

“Een traditionele boekbespreking kost relatief veel tijd, en levert de individuele leerling weinig op. Eén leerling is actief, de andere 24 zitten er passief bij. Sommigen zitten gewoon wat voor zich uit te dromen. Steeds vaker bekroop mij een gevoel van zinloosheid. Ik dacht: Waar ben ik eigenlijk mee bezig”, vertelt Frans Schobbe, leerkracht op de Johannesschool in Tiel.
Dat gevoel kreeg hij ook tijdens het kringgesprek waarbij de kinderen een voor een vertellen wat ze in het weekend hebben gedaan. “De een is graag aan het woord, de ander is na een zin klaar of laat zijn beurt liever passeren.”
Sinds hij ‘coöperatieve leerstrategieën’ gebruikt, genieten zowel hij als de kinderen meer van de spreekbeurten. De structuren, bedacht door de Amerikaanse professor Spencer Kagan, bevorderen interactie tussen de leerlingen, de leerstof en de leraar.
In zijn boek Coöperatieve leerstrategieën schrijft Kagan dat de leerstructuren zijn gebaseerd op vier basisprincipes: gelijke deelname, individuele aanspreekbaarheid, positieve wederzijdse afhankelijkheid en simultane interactie. Wat coöperatieve structuren onderscheidt van ‘ongestructureerde interactie’ in tweetallen of kleine groepen, is dat deze zodanig gestructureerd worden dat alle leerlingen betrokken zijn.

Hersenactiviteit
‘Wat zijn de gevolgen als het koningshuis wordt afgeschaft?’ Stel je wilt dat alle leerlingen meedenken over deze vraag. In de traditionele setting wijst de leraar een leerling aan, de leerling antwoordt en vervolgens reageert de leraar op het antwoord. Daarna krijgt een tweede leerling de beurt en daarna een derde.
In dezelfde tijd zet je met een coöperatieve structuur meer leerlingen aan het werk. Hoe? Je verdeelt alle leerlingen bijvoorbeeld in tweetallen en geeft iedere leerling en ieder tweetal de opdracht om met ideeën te komen. Zo’n tweepraat (zie kader ‘Populaire coöperatieve structuren’) levert dus veel meer ideeën op in dezelfde of in minder tijd.
Leerkracht Schobbe spreekt van een “buitengewoon succes” in de klas. “Na een rond- of tweepraat zijn alle kinderen geactiveerd en dat motiveert ze om verder te gaan.”
Hersenscans tonen bovendien aan dat kinderen die samenwerkend leren verschillende hersengebieden tegelijk benutten, zegt Erik van Vliet, consultant bij adviesbureau APS.
Met lezen gebruik je één hersengebied, net als met luisteren en nadenken. Bij het nadenken en praten met anderen gebruikt een kind vier of vijf hersengebieden. “Spreek- en luistervaardigheid, sociale interactie, wikken en wegen”, aldus Van Vliet. “Het komt allemaal aan bod. Terwijl bij een kind dat geconcentreerd een schrijfopdracht maakt slechts één gebied in de hersenen betrokken is.”
“Voor vinger opsteken is binnen het coöperatief leren geen plek”, vindt Schobbe. “Dan komen sommigen nooit aan de beurt en anderen altijd.” Bovendien, vult Van Vliet aan: “Het gaat er niet om wat je weet, het gaat erom dat je wat leert.”

Meeliften
Binnen deze context doet iedereen mee. Voor minder goede leerlingen is het nauwelijks nog mogelijk om mee te liften op de prestaties van beter presterenden. “Stille leerlingen kunnen zich niet meer verschuilen in de groep en de grote monden hebben niet meer het laatste woord”, zegt Schobbe.
Samenwerkend leren vraagt een begeleidende rol van de docent. Wie dat onder de knie heeft, kan in principe naar hartenlust experimenteren, zegt Schobbe die de strategieën nu een jaar of vijf gebruikt. Hij ervaart een groot verschil met de periode dat hij nog traditioneel lesgaf. “Ik hoef niet meer de hele dag te doceren.”
Boekbesprekingen doet hij tegenwoordig in groepen van vier. Eén leerling bespreekt een boek, drie leerlingen luisteren. De leerkracht luistert bij iedere groep kort mee. Aan het eind vullen de drie luisteraars een beoordelingsformulier in en overleggen samen over de kwaliteit van de presentatie. “Iedereen is actief met de stof bezig. In de klas is meer sociale betrokkenheid en ik zie meer plezier bij de kinderen.”

{kader 1}
Populaire ‘coöperatieve structuren’

1. Rondpraat
Verdeel de klas in groepen van vier. Kondig een onderwerp van gesprek aan waarover de leerlingen kunnen discussiëren, bijvoorbeeld het gebruik van symboliek in een verhaal. Geef de leerlingen denktijd. Om de beurt delen leerlingen in hun eigen team de ideeën en antwoorden met elkaar. Je kunt variëren met deze structuur door de leerlingen hun antwoorden eerst te laten opschrijven.

2. Tweetal coach
Koppel twee leerlingen aan elkaar met een lesstofgebonden opdracht. Bijvoorbeeld de staartdeling. De ene leerling is coach, de ander maakt de staartdeling waarbij hij hardop nadenkt. De coach kijkt of het goed gaat, of hij kan helpen of dat hij een compliment mag geven. Daarna wisselen ze van rol.
Leerkracht Schobbe: “Als de stof door beiden niet begrepen wordt, grijp je in en help je twee leerlingen op weg naar een volgende stap.”

3. Mix en ruil
Geef alle leerlingen een opdracht op papier. Bijvoorbeeld: een optelsom onder de 20 in groep 3. Wie vrij is om met iemand te mixen, loopt rond (met zijn hand omhoog) en vormt een duo met een leerling die ook vrij is. “Ze stellen elkaar om de beurt de vraag die op hun blaadje staat en geven het antwoord op elkaars vraag. Daarna ruilen ze van blaadje en lopen weer rond op zoek naar een nieuw partner.”

4. Mix en koppel
Maak kaartjes waarvan er steeds twee bij elkaar horen, bijvoorbeeld moeilijke woorden en betekenissen, of landen en hoofdsteden. De leerlingen krijgen allemaal een kaartje en lopen ermee rond (met een hand in de lucht ten teken dat ze vrij zijn). Ze vinden een partner en vertellen elkaar wat ze hebben. Als de afgesproken tijd om is, geeft de leerkracht een teken, waarop iedereen ‘bevriest’. Als de leerkracht weer een teken geeft, zoekt iedereen degene op met het kaartje dat bij het zijne past, dus woord bij betekenis of land bij hoofdstad.

{noot}
bron: Dr. Spencer Kagan & Miguel Kagan, Coöperatieve leerstrategieën, Bazalt Educatieve Uitgaven, € 79,00, ISBN 9789461181718

{kader 2}
Tips om samen te werken

1. Begin stil
‘Direct overleggen sluit voor een groot aantal leerlingen zelf denken uit. Haantje de voorste reageert direct en kleurt zo het denken van alle anderen’, schrijft onderwijstrainer Erik van Vliet in het boekje 1+1=3 Samen werken leren*. “Laat iedere leerling beginnen met het ordenen en noteren van zijn gedachten omtrent een onderwerp.” Zo voorkom je dat leerlingen meeliften op de bijdragen van anderen (en zelf niets leren).

2. Geef bedenktijd
Een denkvraag heeft tijd nodig. Uit 1+1=3: ‘Bij een kleine samenwerkingsopdracht duurt dat eerst zelf denken misschien tien seconden. Bij een groot project misschien een hele les.’ Dat gaat bijvoorbeeld zo: ‘Wanneer noem je een land een dictatuur? Nee, geen vingers. Jullie zijn stil. Maak een notitie van wat je belangrijk vindt.’ Als de vooraf aangegeven tijd voorbij is, worden in groepjes alle belangrijke argumenten verzameld.

3. Werk heterogeen
“Het idee dat kinderen van hetzelfde niveau bij elkaar moeten zitten om het meeste leerrendement te behalen, kan op de vuilnisbelt”, meent leerkracht Schobbe. “Dat levert heel weinig op.”
Het meeste leerrendement komt uit een heterogene groep bestaand uit een leerling die beter dan gemiddeld presteert, een leerling die gemiddeld presteert en twee leerlingen die zwakker dan gemiddeld presteren. “Je zou denken dat de zwakke leerlingen hier het meeste van profiteren. Maar dat is niet zo. Ook de sterke leerling profiteert enorm van deze samenwerking. Hij wordt de stof meester, doordat hij het moet uitleggen.”

4. Laat ouders ervaren wat (en hoe) het is
Laat ouders tijdens een informatieavond zelf ervaren wat coöperatief leren is. Bijvoorbeeld met een ‘mix en ruil’. Geef alle ouders een A4 waarop ze iets over zichzelf kunnen vertellen. ‘Wiens ouder ben je, wat voor werk doe je, waarom koos je voor deze school? Als je klaar bent, loop je rond en ga je delen met iemand anders. Daarna deelt die ander de informatie over zichzelf en jou met een ander. Meteen een leuke manier om elkaar te leren kennen.’

5. Doseer
Coöperatieve leerstrategieën staan los van de inhoud van het vak, schrijft Spencer Kagan in zijn boek. ‘Wanneer u eenmaal tweepraat weet te gebruiken, kunt u de leerstof van dat moment gebruiken om een frisse activiteit te creëren. De formule is: coöperatieve structuur + leerstof = activiteit.’
Kagan heeft een repertoire van wel tweehonderd structuren. Verplicht jezelf niet om steeds een (nieuwe) coöperatieve structuur te gebruiken, waarschuwt leerkracht Schobbe. “Een valkuil is dat je het teveel doet. Begin met een keer per week en met niet meer dan vijf structuren voor een langere periode.” En, introduceer de werkvorm vrij van de lesstof, zoals een tweepraat over de favoriete tv-programma’s van de leerlingen. Tegelijkertijd moeilijke stof en een nieuwe structuur leren, is teveel gevraagd.

{noot}
*)Simon Ettekoven, Erik van Vliet, 1+1=3 Samen werken leren, € 6,95, te bestellen via www.aps.nl/shop

{einde kopij}

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.