- blad nr 15
- 9-9-2000
- auteur D. van 't Erve
- Dossier
Promotie
L. geeft les aan specifieke groepen probleemjongeren - in dit geval Turkse meisjes - en niet aan de doorsnee-leerling.
Als bezwaar tegen de beslissing niet helpt, kaart L. samen met de juridische dienst van de AOb de zaak aan bij de commissie van beroep. Volgens de bond is de beslissing onvoldoende gemotiveerd. L. is juist vanwege haar specifieke deskundigheid aangenomen, bovendien draaide zij mee in algemene groepen. Ook had het bestuur haar de gelegenheid moeten geven om aan de criteria te voldoen. Zij is er nooit op gewezen dat het niet breed inzetbaar zijn gevolgen zou kunnen hebben voor haar salaris.
Volgens een aanvulling op het rechtspositiebesluit onderwijspersoneel dient de werkgever de groepsleraar in staat te stellen aan het promotiecriterium Œbrede inzetbaarheid¹ te voldoen. Alleen als dat feitelijk onmogelijk is, geldt de verplichting niet. De werkgever voerde aan dat L. wel degelijk het aanbod had gekregen om als leerkracht voor een reguliere groep te werken, ze had dit echter geweigerd. Door dit aanbod en de mogelijkheid tot volgen van bij- en nascholing is L. voldoende in de gelegenheid gesteld om aan de promotiecriteria te voldoen. Dat dit niet is gebeurd, ligt aan de opstelling van de leerkracht en niet aan de werkgever.
Volgens de commissie van beroep is het duidelijk dat L. niet aan het promotiecriterium heeft voldaan. Maar het is natuurlijk onmogelijk om aan iets te voldoen als onbekend is dat dat noodzakelijk is voor een salarisverhoging. Het is de plicht van de werkgever om een groepsleerkracht te wijzen op de consequenties als hij niet aan de criteria voldoet. De werkgever heeft dit nagelaten. De commissie verklaart het beroep gegrond.