- blad nr 18
- 16-11-2013
- auteur T. van Haperen
- Column
Academici voor de klas
Maar zo makkelijk is het helaas niet. Een paar tegenargumenten. Een universitaire opleiding en goed lesgeven zijn niet hetzelfde. In Frankrijk staan academici voor de klas. De onderwijsprestaties zijn matig. En waarom moeten die academici van Duisenberg en zijn Kamerbrede meerderheid naar de bovenbouw vwo? Schoolsucces is verbonden met afkomst. Een bovenbouwklas vwo is sociaal homogeen, kan veel zelf en krijgt steun van thuis. Het maatschappelijk rendement van slimme leraren is bij de jongste kinderen vele malen groter: zij ontdekken verborgen kennistalent, werken achterstanden weg, want dat kan dan nog. En dan is er nog het eerder geformuleerde beleid. Ook dat ligt dwars. Het Convenant Leerkracht nodigt vanaf 2008 tweedegraads leraren uit een eerstegraads bevoegdheid te halen. Middels een hogeschoolmaster. Geen universiteit dus. Leraren studeren naast hun werk, investeren in zichzelf, om later meer te verdienen en dan zegt de motie-Duisenberg doodleuk: op het vwo hebben jullie vanaf 2020 niks te zoeken. Maar ervaren en bevoegde collega’s gaan hun vwo-klassen echt niet opgeven voor universitaire nieuwkomers.
Kortom, de motie-Duisenberg is ondoordacht. Met als enige verdienste dat weer eens duidelijk wordt dat de onderwijspolitieke keten van probleem naar analyse naar oplossing wel erg los geschakeld is. Want wat is de kwestie? De Nederlandse middelbare school kent twee soorten leraren. De eerste heeft een vak gestudeerd aan de universiteit en kiest voor de klas. De tweede heeft voor leraar gestudeerd en kiest daar een vak bij. De een is niet beter dan de ander, ze zijn elkaars complement. De academicus brengt zijn hoogontwikkelde vakkennis in, de leraar de kunst van het lesgeven. Kruisbestuiving leidt naar een effectieve praktijkaanpak. Maar haal een van de twee weg en het kaartenhuis praktijkkennis stort ineen. Kijk naar de Franse leraar. Die is erudiet, legt klassikaal uit, maar stuurt amper op leren en het resultaat is deerniswekkend. In Nederland treiteren ministers, bestuurders en schoolleiders twintig jaar lang de academicus de klas uit. Ze doen dat met hun volle verstand. Niet de geld kostende leraar, maar het subsidie opleverende kind staat centraal in de gebudgetteerde onderwijsorganisatie. En de grote roergangers zien geen probleem, want een leraar kan toch geen kennis overdragen, de leerling verwerft die. Dankzij deze ideologische klets evolueert het beroep leraar van kennis- naar jeugdwerker. En dan moet nu ineens de academicus weer terug.
Maar ja, zo werkt onderwijsbeleid in Nederland. De ene keer sprinten we naar links, de andere keer naar rechts. Meestal staan we doodmoe stil. En ja, vastberaden doorstappen, met een heldere routebeschrijving, jaren aan een stuk, dat schiet op. Maar politici willen niet vooruit. Zij komen en gaan. Wij blijven in een staat van continue ontreddering achter.