- blad nr 17
- 2-11-2013
- auteur D. Hollander
- Redactioneel
Opvoeden en orde houden
De leraar is de spil
Het liefst wil Anja Vink de lessen in een brugklas meemaken. Want daar kun je zien hoe leerlingen de overgang verwerken van hun vertrouwde basisschool naar de ‘grote’ school.
De directeur van de Gijsbert Karel van Hogendorp (GKH), de brugklasdocent, de ouders en de kinderen – iedereen vindt het prima dat ze een jaar in de klas komt zitten. Na twee weken letten de leerlingen al niet meer op haar, Vink is onderdeel van het schoolmeubilair geworden, zoals ze het zelf noemt.
Kerndocenten
GKH-directeur Gerard Soetman constateerde eind jaren negentig dat de schoolbevolking in rap tempo veranderde. Hij nam een fors aantal maatregelen. De pauzes werden bijvoorbeeld ingekort, leerlingen mochten het schoolplein niet meer verlaten. Ouders en leerlingen moesten een contract tekenen. De school voerde kledingregels in. Ook kregen leerkrachten die niet goed overweg konden met de nieuwe groep vmbo’ers, de gelegenheid naar andere scholen over te stappen. In hun plaats nam Soetman leerkrachten aan uit het basisonderwijs. Omdat die gewend zijn om op te voeden en orde te houden. En heel belangrijk: de GKH startte als een van de eerste vmbo-scholen met het kerndocentschap, zodat leerlingen niet ieder uur een andere leerkracht voor hun neus krijgen. Alle maatregelen onder het motto: de leerlingen hebben rust, reinheid en regelmaat nodig.
In Van deze kinderen ga je houden doet Vink verslag van haar jaar op de GKH. Ze doet niet mee: ze observeert en noteert nauwkeurig wat ze hoort en ziet in haar brugklas. Het gedrag van de leerlingen en vooral de manier van werken van brugklasdocent en mentor Vincent van der Pas.
‘De wittebroodsweken van voor de herfstvakantie zijn duidelijk voorbij. Vincent leert zijn leerlingen beter kennen, zowel van hun goede als slechte kanten. De verhoudingen in de klas worden duidelijker. Jim komt niet meer te laat. Hoe goed Vincent als docent ook is, de saaiheid sluipt in het schoolleven. De kinderen hangen bij tijd en wijle in de banken, staren naar het plafond of kletsen met elkaar. Vooral de meisjes kwebbelen veel. Maar dat is ook een teken dat ze zich thuis voelen en ontspannen. De routine van naar school gaan, in de klas zitten, luisteren, huiswerk maken en leren voor so’s en proefwerken, is er in november helemaal ingeslepen.’
In de loop van het jaar begint Vink zich echt te realiseren, als ze het al niet vermoedde, hoe belangrijk de rol van een leraar is, hoe belangrijk het is dat een leraar goed is.
‘Vincent oogst na de kerstvakantie wat hij in de eerste vier maanden van dit schooljaar heeft gezaaid. Het lijkt wel alsof twee weken vrij de kinderen heeft doen beseffen wat zijn rol in hun leven is. Hij heeft een veilige wereld gecreëerd die 1D heet, en die ze tijdens de kerstvakantie hebben gemist. Dat is voor hen van groot belang. Het voortgezet onderwijs is het laatste instituut in hun leven dat ze kan maken of breken en deze kinderen beseffen heel goed dat dat in hun geval een wankel evenwicht is. Wat waarschijnlijk weinig mensen zeggen, zegt Vincent met heel zijn houding: Ik vertrouw jullie.’
Dat veilige toevluchtsoord hebben de kinderen hard nodig, want in hun buitenwereld is het vaak chaos: gescheiden ouders, drank en drugs, ruzies, schietpartijen op straat.
Twee hobbels
Vink beschrijft ook de problemen waarmee de school als geheel te maken heeft. De niveaus in een klas zijn zo verschillend dat gedifferentieerd lesgeven noodzaak is. In 1D loopt het niveau uiteen van op de rand van praktijkonderwijs tot havo. De voormalige basisschoolleerkrachten hebben daar niet zoveel problemen mee. Maar voor de vakleerkrachten in de bovenbouw ligt dan anders: ze kunnen het niet of willen het niet. Hun medewerking aan de plannen en wensen van directeur Soetman houdt niet over.
Een tweede belangrijke hobbel vormt de Onderwijsinspectie. De GKH biedt de leerlingen de mogelijkheid van een gemengde leerweg. Alles in een poging de leerlingen zoveel mogelijk kansen te geven om te kunnen doorstromen naar een hoger niveau in het vervolgonderwijs. De inspectie oordeelt echter zeer negatief over de gemengde leerweg van de GKH. De vmbo-school ziet zich daardoor gedwongen in het tweede jaar een extra klas te maken met een hoger niveau wiskunde en taal voor leerlingen die de gemengde leerweg aankunnen. Daarmee moet de school afscheid nemen van haar uitgangspunt dat kinderen van alle niveaus bij elkaar in de klas moeten zitten zodat zij zich aan elkaar kunnen optrekken.
Vink beschrijft de teleurstelling en frustratie van directeur Soetman: ‘We kunnen ze ook allemaal basisberoeps laten doen, zoals hun basisschooladvies aangeeft, en dan met mooie cijfers gaan zwaaien. Of de kinderen die mavo aankunnen lekker op school houden.’ Soetman wenst een andere manier van meten: ‘We moeten toe naar een systeem waaraan we kunnen zien hoeveel kinderen in een school groeien. We moeten gaan meten op toegevoegde waarden. Hoe komen ze binnen, hoe doen ze het en hoe verlaten ze de school?’ Auteur Vink ziet dat echter somber in en weet er alleen maar aan toe te voegen dat zo’n wijze van meten nog heel ver weg is.
Vink heeft een mooi boek geschreven over de praktijk van het lesgeven op een zwarte vmbo-school. Ze geeft geen antwoord op de vraag wat een school nu precies goed maakt. Of misschien ook wel, want ze toont in haar boek wel aan dat een school pas goed is als er kwalitatief goede leraren rondlopen, met een groot hart voor hun leerlingen. En natuurlijk met een betrokken directie die daartoe de mogelijkheden schept.
{noot}
Van deze kinderen ga je houden. Een schooljaar in klas 1D van een vmbo, door Anja Vink. Uitgeverij Atlas Contact, €21,95, ISBN 978.90.457.0563.7