• blad nr 14
  • 21-9-2013
  • auteur T. van Haperen 
  • Column

 

Eerst leren, dan excelleren

Een paar weken geleden. Het schooljaar is net begonnen. Staatssecretaris Sander Dekker doet zijn mission statement. In de Volkskrant. Leraren halen niet het maximale uit leerlingen. De middelmaat is in orde, maar de top presteert onder. Het containerbegrip ‘excellentie’ valt. Omgaan met verschillen, onderwijs op maat, prikkels, scholing leraren - ziehier de oplossing. Even later zie ik Dekker de boodschap herhalen op de televisie. Naast hem een leraar die het met hem eens is. Hij begint het schooljaar met de vraag: Wat willen jullie leren? Een mannetje naast hem kiest Chinees. De staatssecretaris knikt. En ik denk: Oei, daar gaan we weer. De intrinsiek gemotiveerde leervraag, individualisering van de leerweg, het studiehuis. Tineke Netelenbos is terug.
Zo gaat het vaker bij politici. De observatie klopt, de analyse niet. Want ja, de bovenkant van de leerlingenpopulatie doet het niet goed. Landenvergelijkend onderzoek leert dat Nederlandse vijftienjarigen nog net in de top tien staan. Dankzij de vmbo’ers. Die scoren bovengemiddeld. Maar de bollebozen kunnen de rest van de wereld niet bijhouden. En het wordt ook niet beter. Een paar jaar later maken vwo’ers hun centraal schriftelijk examen matig. Daar zit de discrepantie met het schoolexamen.
Hoe komt dit? Kijk naar de landen waar algemeen vormend onderwijs een succes is. Nummer één in het Pisa-prestatieklassement is Shanghai. Hoogopgeleide leraren zijn geselecteerd voor het beroep. Zij geven les aan heterogene groepen. Tachtig procent van de kinderen leert ook nog eens buitenschools. Bij een tutor. Om te voldoen aan een uniforme eis. Een dertienjarige wijsneus die daar zegt graag Nederlands te leren op zijn school, in een individueel leertraject, is lachwekkend. Dichter bij huis is Finland het succesverhaal. Deze keer geen tutoren, maar wel leraren die zich bewezen hebben in de omgang met kennis. Zij verzorgen staatspedagogiek voor heterogene groepen. De verschillen dan maar? De Nederlandse leraar is lager opgeleid en heeft meer taken, meer leerlingen en meer lesuren. Hij is naast kenniswerker ook jeugdwerker en zorgcoach. Deze enorme opdracht is nog enigszins uitvoerbaar dankzij de homogene groepering. Die beperkt de fricties rond het leren in de klas. De twintig procent beste leerlingen zitten vanaf het twaalfde levensjaar bij elkaar. Op het vwo.
De vertaling naar de dagelijkse praktijk. Mijn vwo-leerlingen hebben een snel verstand. Maar ze kunnen en weten ook veel niet. Ik hoor regelmatig ‘hun hebben’. Een mooi stuk schrijven is lastig. Verwijzingen naar grote denkers en schrijvers roepen weinig op. Bij een sommetje draai ik de afhankelijke en onafhankelijke variabele om. De oplossing van het probleem is ineens ver weg. En dat geeft niks. Dit is het werk: samenhangende kennis en vaardigheid aanbrengen. Betekenis verlenen aan de wereld om ons heen. Maar dan is niet particuliere uitdaging voor de slimmerik, maar intellectuele discipline voor iedereen de prangende kwestie.
Een sterk onderwijssysteem organiseert succeservaringen voor de onderkant. De bovenkant kan dat zelf. En excelleren? Dat komt wel. In een beroep of op de universiteit. Eerst maar eens volwassen worden.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.