- blad nr 15
- 9-9-2000
- auteur O. Bosma
- Commentaar
Racistisch jeugdgeweld
In Nederland deden zich de afgelopen weken racistische incidenten voor die in aantal misschien wel, maar in ernst niet onderdoen voor de Duitse. Alleen door puur toeval en geluk vielen er geen doden. Ook hier waren er verontwaardigde reacties, maar ze zijn niet te vergelijken met de onrust in Duitsland. Is dat een uiting van het verschijnsel dat Nederlanders zichzelf graag als zedenmeester gedragen, maar weinig oog hebben voor de eigen gebreken? Of zijn de incidenten zèlf niet te vergelijken en is er geen aanleiding voor bezinning zoals van Peter Schneider? Diens verhaal werd door NRC Handelsblad in elk geval belangrijk genoeg gevonden om het te publiceren.
De Oost-Duitse bevolking heeft een andere en heel wat minder gematigde eeuw achter de rug dan de Nederlandse en xenofobie is er vanaf het begin van de jaren dertig tot aan de hereniging met de paplepel ingegoten door een dictatoriale staat. De economische problemen zijn groot en de toekomstperspectieven van veel jongeren niet rooskleurig. De samenleving worstelt met een identiteitscrisis, waarin allerlei idiotie uitstekend kan gedijen.
In Nederland bestaat een democratische traditie - gevestigd in een geschiedenis van honderden jaren -, heerst weergaloze economische voorspoed en hebben de nieuwe generaties grotere kansen dan ooit. Toch zijn er redenen om na te denken, vragen te stellen. Hoeveel jongeren identificeren zich met Œde westelijke democratische samenleving¹, hebben daarover geleerd, zijn ermee geconfronteerd tijdens hun opvoeding, weten van de kwetsbaarheid ervan, begrijpen hun eigen kwetsbaarheid? Welk tegenwicht biedt hun omgeving tegen de geweldscultuur die bij ons zeker niet minder omvattend heerst in de visuele media? Wat is er voor hen in de plaats gekomen van de mogelijkheden tot identificatie die religieuze en politieke stromingen boden? Wat voor zin kunnen ze aan hun leven geven, anders dan de jacht op steeds meer consumptie? Wat is het effect op hun wereldbeeld van de steeds wijdere kloof die er groeit tussen heel rijk en nog altijd relatief arm? In hoeverre is Œons¹ racistische geweld onderdeel van een breder verschijnsel, het zinloze geweld op straat, rondom de voetballerij, in de buitenlandse vakantieoorden? Welke rol speelt het gigantische gezuip van steeds meer kinderen, daartoe aangemoedigd door een reclame die in misdadigheid niet onderdoet voor de tabaksreclame? Wat is de betekenis van het feit dat het jongerengeweld in Duitsland en Nederland voornamelijk mannengeweld is?
En, als we toch aan het vragen stellen zijn, dan ook maar de hand in eigen boezem gestoken: in hoeverre zijn de onderwijzers en leraren toegerust om voorbeelden te stellen, tegenwicht te bieden, cultuur te ontsluiten, kinderen te leren zich te verplaatsen in anderen? Wat betekenen de vele signalen van verbittering en onvrede uit het docentenkorps voor de mogelijkheden van zulke docenten om hun leerlingen te inspireren en te motiveren?
Temidden van de miljardeninvesteringen komt het debat over de culturele en sociale taken van het onderwijs in de knel. Het achterstallig onderhoud is groot, de eis voor miljardeninvesteringen kan niet krachtig genoeg worden gesteld. Maar, gezien de nauwe betrokkenheid van onderwijsgevenden bij de nieuwe generaties, er zijn ook andere debatten die gevoerd moeten worden, vragen die gesteld moeten worden, antwoorden die gezocht moeten worden.