- blad nr 13
- 7-9-2013
- auteur L. Douma
- Redactioneel
De nieuwe klas
{portret 1}
Goede sfeer
Jelleke Wierdsma (38) is docent Engels bij csg Liudger in Drachten.
“Toen ik net lesgaf, stond ik vaak bij mijn bureau wanneer een nieuwe klas mijn lokaal binnenkwam. Dat doe ik niet meer. Ik probeer nu bij de deur te staan, vooral die eerste lessen. Ik geef leerlingen een hand, vraag hoe de vakantie was, heet ze welkom. Ik heb gemerkt dat de les daardoor minder chaotisch begint.
Die eerste les na de zomer is toch altijd anders dan anders. Bij nieuw gevormde klassen moet de sfeer nog komen. Bij bestaande klassen kan er in de zomervakantie veel veranderd zijn. Leerlingen zijn gegroeid, vaak letterlijk. Dat kind dat in de eerste klas nog keihard blokte, kan ineens een puber zijn. En dat maakt dat het weer even zoeken is, qua sfeer. Als leraar heb je daar zeker invloed op. De eerste les vertel ik wat over mezelf, over waar ik woon, met wie, wat mijn huisdieren zijn en hobby’s. Als je zelf al wat persoonlijks prijsgeeft, respecteren leerlingen het feit dat ook jij een privéleven hebt. In een echt nieuwe klas laat ik kinderen wat over zichzelf vertellen. In het Engels, uiteraard.
Na de eerste les ga ik min of meer over tot de orde van de dag. Het boek is de leidraad, maar ik laat kinderen in groepjes Engels met elkaar spreken. Er is ook zo’n oefening die ik vaak inzet. Een klas moet zonder te praten in volgorde van geboortedatum op een rij gaan staan. Daardoor leren kinderen dat je samen meer bereikt. Vooral voor slimme kinderen, die denken zelf alles beter te weten, is dat een wijze les. Uiteindelijk wil je een gezellige sfeer, waarin er ook gewoon gewerkt wordt. Toen ik net lesgaf had ik meer stress over de planning. Nu weet ik dat het je gaande het jaar veel tijd kost als de sfeer niet goed is, dus dat je daar beter maar in kunt investeren.”
{portret 2}
Spannend
Nellie Laan (54) is leerkracht groep 6 bij de Asvo-school in Amsterdam.
“Aan het eind van het schooljaar gaan groep 5 en 6 altijd samen op kamp. Ik leer mijn nieuwe leerlingen dan al een beetje kennen. Een aantal kinderen valt mij al op, diegenen die heimee hebben of bij wie ik een pleister heb moeten plakken, ken ik voor de vakantie al.
Ook hebben wij aan het eind van het jaar alvast een kennismakingsochtend. Groep 5 komt dan bij mij, de leerlingen kunnen het lokaal al bekijken en we maken samen een werkje. Ik laat ze ook een invuloefening doen. Ze schrijven op wie ze zijn, waar ze van houden, of ze broertjes en zusjes hebben. Die bladen neem ik in de vakantie mee naar huis zodat ik na de vakantie kan zeggen: ‘Ja, natuurlijk vond jij het leuk in Italië, pizza is immers jouw lievelingseten’. Schitterend vinden ze dat, als je dat soort dingen over ze weet.
Het blijft spannend: die eerste schooldag na de vakantie. Ik heb de klassenplattegrond al neergelegd en wacht de kinderen bij de deur op. Ik geef ze allemaal een hand, het hele jaar door eigenlijk, ook als ze weggaan. Zo weet ik zeker dat ik elk kind miniaal twee keer op een dag zie. ‘Zoek je plek maar op’, zeg ik die eerste dag. In de eerste paar weken is het ontzettend belangrijk dat regeltjes duidelijk worden, dat kinderen weten hoe we met elkaar omgaan in mijn klas. Ik heb echt het idee dat ik door die duidelijkheid de sfeer kan sturen. De bijdehandjes proberen je altijd even uit. Ik vind dat ook de lastigste leerlingen omdat zij niet snel hun masker afzetten, terwijl ik ook hen graag wil leren kennen. Maar na een week of drie, vier heb ik wel het idee dat mijn klas eigen is. In de herfst kan ik in elk rapport al wel wat persoonlijks kwijt.”
{portret 3}
Aandacht scoort
John Weerwind (50), docent detailhandel, geeft les aan niveau 2 op het Roc van Amsterdam.
“Aandacht scoort. Om een goede band met je leerlingen op te bouwen, moet je er zijn: bij de introductieweek, bij de sportdag, bij andere activiteiten. Je moet hun namen zo snel mogelijk kennen. De eerste weken loop ik constant met het smoelenboek rond. Elke keer dat ik mijn leerlingen bij de deur opwacht, word ik overhoord. Ja, de docent moet ook zijn huiswerk doen.
In de week na de intro vraag ik van alle leerlingen hun 06 en ook van hun ouders. ‘Hoezo, ik ben toch achttien’, zeggen ze dan. Ja, dat ben je, antwoord ik. Maar ik ben zelf ook achttien geweest en ik weet hoe dat is. Je kunt in een situatie terechtkomen dat je niet meer aanspreekbaar bent. Dan wil ik je ouders kunnen bellen. Dat pikken ze. Je moet het gewoon duidelijk uitleggen. Je moet sowieso duidelijk zijn. In de eerste week vertel ik ze mijn regels. Geen pet op, geen jas aan, geen oortjes in – we zitten hier niet in de beveiliging. Ik vertel wie ik ben, wat mijn achtergrond is, dat ik een zoon heb van hun leeftijd, dat ik uit de praktijk kom en ook de detailhandelsschool heb gedaan – dat schept een band. ‘Weerwind weet wel waarover hij praat’, zeggen ze dan. Maar vergis je niet: ik ben hun mentor, niet hun vriend, enige afstand is noodzakelijk.
Ik leg ze uit dat er in mijn klas leerlingen zitten die een enorme sprong voorwaarts hebben gemaakt en daardoor bij mij niveau 2 kunnen volgen. Er zijn ook leerlingen die van vmbo-t komen en gestrand zijn, zo noem ik dat dan. Al deze leerlingen moeten respect voor elkaar hebben. Als je iets niet snapt, moet je dat aan kunnen geven, er wordt in mijn klas niemand uitgelachen, niemand bespot. Als ik eens een akkefietje heb met een leerling, bespreek ik dat in de gang, niet voor de hele klas.”