- blad nr 13
- 7-9-2013
- auteur G. van der Mee
- Redactioneel
Hoe zeggen we dat in wiskundetaal?
‘Oom Kees gaat steeds dikker worden’
“Je ziet ze groeien, alerter worden, meer leerlingen doen mee.” Onderwijswetenschapper Jantien Smit zag leerlingen, voor wie Nederlands een tweede taal is, beter worden in rekenen en wiskunde. “Ze kregen er meer plezier in en hadden meer zelfvertrouwen toen er extra aandacht besteed werd aan de vaktaal. Vakdocenten zijn zich er niet altijd van bewust dat ze woorden gebruiken die leerlingen niet kennen.” Smit deed haar promotieonderzoek aan het Freudenthal Instituut van de Universiteit Utrecht.
Dit probleem bestaat toch al heel lang?
“Klopt, maar er is nog geen structurele oplossing en er is tot nu toe weinig gedaan om de vakdidactiek rekenen-wiskunde voor meertalige leerlingen te verbeteren. Uit eerder onderzoek blijkt dat wiskundedocenten niet erg gericht zijn op de taalontwikkeling. Ze hebben weinig interactie met de klas en merken daardoor niet dat veel leerlingen het niet begrijpen.” Uit nationale en internationale onderzoeken blijkt dat allochtone leerlingen nog steeds in taal en rekenen slechter zijn dan autochtone leerlingen. “Aandacht voor taal in de rekenles is dus dé oplossing, want je slaat twee vliegen in één klap.”
Smit ontwikkelde voor het domein lijngrafieken, een taalgerichte lessenserie. Uit haar proefschrift* blijkt dat de wiskundige taalvaardigheid van leerlingen flink vooruitgaat door die aanpak. Ze leren bijvoorbeeld op de juiste manier een lijngrafiek beschrijven. “Taal is de toegangspoort tot het denken, dat besef moet bij docenten ook doordringen. Het gaat niet om zomaar wat woorden uitleggen, maar om leerlingen tijdens de les te ondersteunen (scaffolding) om in vaktaal te praten.” Herformuleren is één van de strategieën die Smit beschrijft. “Als kinderen een lijngrafiek voor hun neus krijgen over de ontwikkeling van het gewicht van oom Kees in tien jaar tijd, dan zeggen ze ‘Oom Kees gaat gewoon steeds een beetje dikker worden’. De docent moet het dan herformuleren: ‘Ja, zijn gewicht neemt geleidelijk toe’. Een andere strategie is vragen om preciezer taalgebruik. In de loop van de taal-rekenlessen beginnen ze dat dan heel normaal te vinden. In plaats van ‘de grafiek is gewoon hetzelfde’ weten ze dan dat het ‘de grafiek blijft constant’ moet zijn. Woorden als ‘toenemen’, ‘afnemen’, ‘geleidelijk’ en ‘constant’ lijken heel eenvoudig, maar behoren niet tot de woordenschat die taalzwakke leerlingen vanzelf oppikken in de rekenles. Om verder te komen met wiskunde zullen ze naast hun huis-tuin-en-keuken-taal ook ‘wiskundetaal’ moeten leren. De docent moet die taalproductie uitlokken.”
Taal centraal stellen bij rekenen en wiskunde klinkt vreemd.
“Ja, taal op deze manier centraal stellen in de reken-wiskundeles is ook nieuw. De ‘scaffolding-strategieën’ kunnen trouwens in principe in ieder vak toegepast worden. Voorwaarde is wel dat de docenten voor wie dit ook nieuw is, bijgeschoold worden. Uit mijn onderzoek blijkt dat ze dit niet zomaar van de ene op de andere dag beheersen.”
Zelf stond Smit, die eerst Nederlands studeerde, vier jaar voor de klas op een basisschool, de helft van de tijd in Londen. “Ik ken dus de lessituatie uit eigen ervaring.” Voordat ze haar lessenserie ontwierp, onderzocht ze eerst welke woorden, begrippen en formuleringen van belang zijn voor de leerlingen om verder te komen met het maken en begrijpen van lijngrafieken.
De experimenten werden op een basisschool gedaan in een klas Marokkaanse en Turkse derde generatie kinderen van tien tot twaalf jaar. Leerlingen kregen de grafiek niet kant-en-klaar aangeboden, maar moesten die in groepjes maken en er een plaatje van maken. De ene groep maakte van de groei van Kees vanaf twee jaar een echte stoere man (beeldgrafiek), anderen maakten staafjes of een stijgende lijn. Daarbij leerden ze woorden als staafgrafiek, vertekening, verloop, horizontale as, verticale as.
Wanneer komt deze nieuwe methode beschikbaar voor de klas?
“Ik heb dit nu voor één domein ontworpen en onderzocht, maar ik hoop hier in mijn toekomstige baan verder aan te werken. Zo’n talige aanpak is volgens mij ook voor andere leerlingen altijd voordelig om de wiskunde beter te begrijpen.” Ze erkent dat het veel onderzoek vergt om deze nieuwe taalgerichte reken-wiskundedidactiek uit te werken en toe te passen. “Het is veel werk, maar het helpt, leerlingen gingen vooruit en kregen meer zelfvertrouwen. Ik denk wel dat je veel geldschieters nodig hebt om dit door te zetten. Allereerst moeten docenten een heel repertoire van strategieën paraat hebben om die leerlingen te helpen. Ze moeten ook weten hoe de taalverwerving bij allochtone kinderen werkt en om welke taal het eigenlijk gaat in hun vak.”
Na publicatie van haar proefschrift kreeg Smit een aantal mails van leraren. “Eén docent legde uit waar hij mee worstelde en wilde weten of ik daar een strategie voor had. Er waren ook mails van een geïnteresseerde sectie wiskunde en Nederlands van een pabo. Maar om dit echt in de praktijk te brengen in de klas, moet er nog wel wat gebeuren.”
{noot}
*)Scaffolding language in multilingual mathematics classrooms, Jantien Smit