• blad nr 11
  • 8-6-2013
  • auteur A. Moerman 
  • de Vereniging

 

Inhoud of een mooi gebouw?

Anderhalf jaar geleden werd in de bve-sector de Wet op de ondernemingsraden ingevoerd. MR's transformeerden in OR'en. De nieuwe raden waren tot nog toe vooral bezig met zichzelf, met de 'statuten en reglementen'. Het is de hoogste tijd om echt aan de slag te gaan.

“Het is tijd voor meer focus richting onderwijs”, zegt André Steenhart, sectorbestuurder bve van de AOb. Hij was een van de sprekers op een studiedag in Utrecht voor de nieuwe OR-leden (die overigens vrijwel allemaal oude MR-leden zijn). “Het was voor het eerst dat we zo'n dag voor de bve organiseerden. Met vooral aandacht voor de onderwijsspecifieke zaken die deze ondernemingsraden anders maken dan die in bedrijven.”
Het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie, in de praktijk nog vaak het mbo genoemd, bestaat in Nederland uit zeventig grote instellingen. Veelal de grote roc's. Studenten komen daar een paar jaar en vaak niet de volle week. Maar toch zaten ze in de medezeggenschapsraden. “Dat was niet goed voor de continuïteit, meenden de werkgevers. Dus wilden ze ondernemingsraden en voor de studenten een apart medezeggenschapsorgaan. Misschien ook wel beter voor de studenten die in de MR's voortdurend werden overvleugeld door de andere geledingen. Voor de AOb maakt deze verandering niet zo heel veel uit. Mits de medezeggenschap maar goed geregeld zou worden”, zegt Steenhart. “Dat kan in principe ook via een OR.”
De afgelopen anderhalf jaar waren veel OR'en vooral bezig met interne processen en de inrichting van de nieuwe OR. De ene OR houdt zich al meer bezig met het primaire proces, de onderwijskundige inhoud, dan de andere. “We zien dat behoorlijk wat OR'en veel energie moeten steken in het bevechten van hun positie. Wanneer krijgen we welke informatie en kan dat niet wat eerder en vollediger? Nee, ik noem geen namen van instellingen waar het goed loopt en waar het beter kan. Dat zou allerlei precaire processen op dit moment te veel verstoren”, zegt Steenhart lachend, met zijn kenmerkende onvervalste Amsterdamse tongval.

Tijdelijk personeel
In zijn algemeenheid wil hij er wel wat over kwijt. “Binnen de sector is een flinke club managers die bereid is om met de OR en de bonden samen te zoeken naar een nieuw evenwicht. En die ook vinden dat er ruimte in de bedrijfsvoering moet zijn voor de onderwijskundige aspecten. Tegelijk zie ik in de sector behoorlijk wat van die 'eigengereide types' rondlopen, baasjes die het allemaal zelf het beste denken te weten. Onder dat soort bestuurders komt de ruimte om onderwijskundige keuzes te kunnen maken stevig onder druk. De AOb meent dat teams van onderwijsprofessionals ruimte moeten hebben om te doen wat zij nodig vinden.”
Steenhart ziet het ook beter gaan bij instellingen met minder tijdelijk personeel. Daar zijn de betrokkenheid en de continuïteit groter omdat er minder personeelswisselingen zijn. Steenhart: “Wat tevens helpt is als er managers rondlopen die 'dicht op het onderwijs' zitten. Die bijvoorbeeld zelf uit het onderwijs komen. Die hebben meer oog voor het onderwijsperspectief dan beroepsmanagers die de nadruk leggen op bedrijfseconomische aspecten of op een mooi gebouw. Ook bij deze instellingen is het nu de hoogste tijd om meer focus in het OR-werk te krijgen richting het primaire proces.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.