• blad nr 11
  • 8-6-2013
  • auteur M. van Nieuwstadt 
  • Redactioneel

Waarom is hannden of dikkte fout? 

Het glibberige pad van het spellingonderwijs

Spellingregels die kinderen op school leren, zijn soms overbodig. Sommige regels kloppen niet. En kinderen die wél goed spellen, kunnen de lange regels vaak niet verwoorden.

Spellingregels. Op gelamineerde A4’tjes hangen ze op veel basisscholen: met plakband op de muur of met knijpers aan waslijnen. De regels hangen niet alleen in lokalen, ze zitten ook in de hoofden van de kinderen. Soms voor een deel, soms helemaal. Maar hebben kinderen iets aan al die regels? En hebben ze die allemaal wel nodig?
Sommige regels kloppen gewoonweg niet, ook al worden ze er nog dagelijks bij kinderen ingehamerd. ‘Ik hoor n. Ik schrijf ng’, verkondigt methodemaker Malmberg in Taal Actief (derde editie) bij een plaatje van een jochie dat zijn tong uitsteekt. Terwijl toch het verschil tussen de ‘n’ en de ‘ng’-klank in de Nederlandse taal best te horen is. Zo’n regel moet een school of leerkracht dan maar aanpassen of overslaan. Lastiger is het als regels op een omslachtige manier worden uitgelegd. Als methodemakers regels uit het Groene Boekje op een twijfelachtige manier interpreteren. Of wanneer ze begrippen gebruiken die niet of niet voldoende zijn uitgelegd. Veel regels komen jaar in jaar uit terug. Een leerkracht kan zelf een alternatief of een ezelsbrug bedenken, maar als collega’s het jaar daarop weer de methode hanteren, dan raken kinderen toch nog in de war.

De mist in
En zo spellen kinderen in groep 5 hannden of dikkte. Begrijpelijke fouten. Ze kennen immers de belangrijke Nederlandse regel van de medeklinkerverdubbeling na een korte klank: ‘De klank is kort: een extra letter op je bord’ of ‘Na een korte klank komen er twee dezelfde medeklinkers op de bank’. Kinderen die zo’n vermeende handigheid toepassen, en die het taalgevoel missen om hun vergissing in te zien, gaan de mist in. In een middenbouwgroep kunnen dat er bij een dictee zo maar drie of vier zijn. En kinderen die de fout niet maken, kunnen niet verwoorden hoe ze tot de juiste spelling gekomen zijn.
Natuurlijk staan dit soort regels in de methoden niet helemaal fout verwoord. Zo schrijft Taal Actief: ‘Ik hoor aan het eind van de klankgroep een korte klank a, e, i, o, u. Ik schrijf hierna twee dezelfde medeklinkers.’ Kinderen die zo’n regel toepassen komen goed uit. Tenminste, als ze dan ook de uitzonderingen onthouden (apart, banaan) en zich realiseren dat de veelvoorkomende ‘e’ zonder klemtoon niet door twee medeklinkers wordt gevolgd (zoals de eerste ‘e’ in gezellig). Om dat te kunnen moeten ze niet alleen de lange regel onthouden. Ze moeten weten wat klinkers en medeklinkers zijn. En ze moeten weten dat het verdelen van een woord in lettergrepen (bak-ker) iets anders is dan het verdelen in klankgroepen (ba-kker).
In de derde editie van de methode Taal Actief komen de regels voor het verenkelen van klinkers (jager en niet jaager) en het verdubbelen van medeklinkers na een korte klank (bakker), pas tegen het einde van groep 5 aan bod. Lastig voor leerkrachten, want de Cito LVS-toetsen die veel scholen gebruiken om de vooruitgang van kinderen te meten, confronteren kinderen al enkele maanden eerder met vergelijkbare woorden als schapen en koppig.
“In de jongste editie van Taal Actief, de vierde uitgave, hebben we dit aangepast”, zegt Geert Peeters, conceptauteur van Taal Actief. “Hoewel we eigenlijk vinden dat veel kinderen op jonge leeftijd nog niet toe zijn aan het schematisch denkniveau dat nodig is om dit soort regels goed toe te passen.”

Stappenplannen
Op het moment dat Taal Actief (derde editie) met de korte en lange klanken aan de slag gaat, dan gebeurt dat heel intensief. In zeven nieuwe categorieën komt de problematiek aan bod. Met het categoriewoord ‘jager’ hebben de kinderen nog maar nauwelijks de hoofdregel geleerd of daar komen de eerste uitzonderingen alweer om de hoek (de eerste a in banaan klinkt voor velen kort, maar wordt toch gevolgd door één medeklinker).
“Ook wat dat betreft is er in de jongste editie van Taal Actief veel verbeterd”, zegt Peeters. “Het algoritme dat kinderen moeten toepassen om woorden als jager en bakker correct te spellen is teruggebracht tot twee stappen. Die zijn ondergebracht in een visueel ondersteund schema.”
Visueel ondersteund of niet, als leerkracht blijft er iets aan je knagen als je jonge kinderen stappenplannen moet aanleren die niet altijd tot de juiste oplossing leiden. Volgens sommige onderzoekers kunnen de spellingregels maar het beste helemaal overboord. “Uit alle onderzoek naar spellingprocessen komt naar voren dat wij spellen vanuit ons geheugen en pas op de laatste plaats met gebruikmaking van regels”, zegt Frans Daems, emeritus hoogleraar Nederlandse taalkunde en taaldidactiek aan de Universiteit van Antwerpen. Daems erkent dat regels en stappenplannen waarschijnlijk onmisbaar zijn om te komen tot een correcte spelling van werkwoorden, maar voor veel andere spellingcategorieën ligt dat anders. “Er zou in het spellingonderwijs veel meer aandacht moeten zijn voor het inslijpen van woorden en spellingpatronen en minder voor het werken met regels”, zegt hij.

Tekort aan regels
Onderwijsspecialist Paul Kirschner (Open Universiteit), waarschuwt dat het niet toepassen van regels niet hoeft te betekenen dat iemand die regels nooit heeft geleerd. “Uit onderzoek van Lev Vygotsky weten we sinds de dertiger jaren dat mensen regels die ze geleerd hebben, gaan internaliseren en dan niet meer bewust gebruiken.” Ook spelling- en dyslexiespecialist Anna Bosman is het niet met Daems eens. “Uit onderzoek dat ik heb gedaan onder vierhonderd studenten van de Universiteit van Amsterdam is juist naar voren gekomen dat mensen die bij de spelling van een woord rapporteren dat ze ‘het gewoon wisten’, de meeste fouten maken.”
Volgens Bosman, hoogleraar aan de Radboud Universiteit Nijmegen, speelt niet een overschot aan regels en structuur de zwakke spellers parten, maar juist een tekort daaraan. “Je moet kinderen vanaf het allereerste begin duidelijk maken, dat ze moeten nadenken voordat ze een woord spellen”, zegt zij. “Daarom moet je vanaf groep 3 alle structuur aanbrengen die denkbaar is.”
Volgens Bosman betekent dit dat kinderen vanaf het allereerste begin duidelijk moet worden gemaakt met wat voor soort klanken en letters zij te maken hebben (lange klanken, korte klanken, medeklinkers, klinkers en tweetekenklanken). Bosman: “Natuurlijk weten kinderen in het begin niet wat je met die woorden bedoelt, maar dat weten ze ook niet als ze voor het eerst kennismaken met de namen van figuren van Pokémon. In groep 4 of 5 komt het vanzelf goed.”
Bosman deed onderzoek naar de methode Zo leer je kinderen lezen en spellen, ontwikkeld door spellingspecialist José Schraven. In die methode werken kinderen vanaf groep 3 met dagelijkse dictees en vaste regels om tot de juiste spelling te komen. Dat die regels lang zijn is volgens Bosman geen bezwaar als kinderen er heel veel mee oefenen. Ze citeert wetenschappelijke publicaties die aantonen dat kinderen in groep 3 van het speciaal onderwijs met deze gestructureerde aanpak vier keer beter scoren op een spellingtoets en dat dyslexie praktisch is uitgebannen op een reguliere basisschool in Zevenaar die de methode heeft toegepast. De nieuwe methode Staal van Taal Actief-uitgever Malmberg is op de aanpak van Schraven gebaseerd.

Tussen-n
Elk leerjaar kent zijn eigen problemen op het gebied van spelling. Moeten kinderen in groep 5 aan de slag met verdubbeling van medeklinkers en verenkeling van klinkers, in groep 6 of 7 krijgen ze onder andere de tussen-n voor hun kiezen. Ook hier belandt een leerkracht voor hij het weet in een algoritmisch mijnenveld. De stappenplannen van methodemakers worden steevast gepresenteerd als vereenvoudigingen van de officiële regels uit het Groene Boekje. Ten onrechte. En volgens emeritus hoogleraar Daems, intensief betrokken bij de totstandkoming van de jongste editie van het Groene Boekje, is bij de spellingvernieuwing nu juist geprobeerd om te voorkomen dat spellers een stappenplan moeten volgen voordat ze een woord goed kunnen opschrijven.
“De tussen-n is een mooi voorbeeld”, zegt hij. “Woorden met een tussen-n schrijf je over het algemeen vanzelf goed als je goed luistert en gebruikmaakt van patronen die je hebt opgepikt uit andere woorden. Bij de samenstelling van het Groene Boekje is nu juist geprobeerd om de spelling zo aan te passen dat je veel meer woorden goed kunt spellen, zonder erbij na te denken.”
Als voorbeeld noemt Daems samenstellingen met het woord kranten. “In de Van Dale van voor 1995 stonden tachtig samenstellingen, waarvan de ene helft met 'krante' en de andere helft met 'kranten'. Tegenwoordig weet je dat je kranten met een –n moet schrijven, omdat het woord krante los niet voorkomt. Om die samenstellingen goed te schrijven, heb je dus geen regels meer nodig.”
Taalspecialist Helge Bonset is het met Daems eens. “Ik ken die regels ook niet”, zegt hij. “En anders heb je ook nog de spellingchecker. Uit onderzoek is bovendien bekend dat het overschrijven van woorden een effectievere manier is om zwakke spellers te helpen dan het aanleren van regels.”
Bonset, tot voor kort werkzaam bij de leerplaninstituut SLO, publiceerde drie jaar geleden een uitgebreide inventarisatie van wetenschappelijk onderzoek naar effectief spellingonderwijs. Ook Anna Bosman is geen tegenstander van het overschrijven van bordrijtjes of woorden van een computerscherm, zoals dat gebeurt in het populaire spellingprogramma Bloon. Wel waarschuwt ze: “Zo’n aanpak is met name effectief als er voor de juiste schrijfwijze van woorden überhaupt geen regels bestaan, denk aan de spelling van woorden met au of ou en ij of ei.”
En de tussen-n? Bosman: “Ik weet inderdaad dat je in de meeste gevallen gewoon goed uitkomt als je een meervoudsvorm gebruikt. Ik moet bekennen dat ik zelf die regels ook niet eens uit mijn hoofd ken. Misschien moet je inderdaad niet de doelstelling hebben om alle kinderen deze regel aan te leren. Toch vind ik dat je kinderen er wel over moet vertellen. Als ze bij het spellen tegen problemen oplopen, dan zullen ze zich in elk geval herinneren dat zo’n regel bestaat.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.