• blad nr 10
  • 25-5-2013
  • auteur R. Wisman 
  • Redactioneel

 

Vrije scholen in de lift

Kinderen leerden er soms dat ‘negers dikke lippen hebben’ en de onderwijskwaliteit was op veel scholen onder de maat. Na jarenlang in een verdomhoek, gaat het nu bergop met het antroposofische onderwijsideaal van Rudolf Steiner. Na de zomer gaan twee nieuwe afdelingen van vrije scholen voor voortgezet onderwijs van start.

In augustus beginnen dertig leerlingen in Zwolle in twee ‘zevende klassen’ van een nieuwe vrije schoolafdeling voor voortgezet onderwijs. De brugklas van de onderbouw heet zo, omdat de leerjaren vanaf de basisschool worden doorgeteld.
Ook in Roermond start in augustus zo’n zevende klas.
Beide initiatieven starten onder de vlag van een reguliere scholengemeenschap: scholengemeenschap Van der Capellen in Zwolle, en Bisschoppelijk College Broekhin in Roermond.
In Zwolle is al jaren een vrije school voor primair onderwijs. Voor een middelbare vrije school gingen leerlingen uit de regio Meppel-Zwolle-Harderwijk naar Groningen of Zutphen. Door een initiatief van ouders en de regionale stichting van vrije scholen kwam de opstart van een klas voor voortgezet onderwijs in een stroomversnelling.
Er zijn momenteel 71 vrije scholen voor primair en 13 vrije scholen voor voortgezet onderwijs. De afgelopen vijf jaar steeg het aantal leerlingen op een vrije school voor voortgezet onderwijs met ruim 15 procent. Er is behoefte aan, merkt Teunella Wolters, lid van de projectgroep in Zwolle. “Het onderwijsconcept dat kinderen aanspreekt op hoofd, hart en handen, spreekt een groeiende groep mensen aan. Tachtig ouders bezochten de informatieavond.”
Leo Stronks, tot maart dit jaar voorzitter van de Vereniging van Vrije Scholen (VVS), beaamt dat volmondig: “Voorheen kwam 80 procent van de leerlingen van de vrije school voor voortgezet onderwijs van de vrije basisschool. Nu is dat gemiddeld 40 procent. De rest komt van reguliere scholen.”
Hij vermoedt dat de populariteit te maken heeft met een behoefte aan identiteit die ouders niet meer - zoals vroeger - vinden in het christelijke onderwijs. “De identiteit is op veel scholen verwaterd. En als je dan niet meer katholiek of protestants-christelijk bent, wat ben je dan wel? De vrije school geeft daarop een antwoord.”

Pompen of verzuipen
Dat de vrije scholen momenteel voldoende, en sommige zelfs prima, scoren op de beoordelingscriteria van de Onderwijsinspectie, draagt ongetwijfeld ook aan de populariteit bij. In een onderzoek uit 2012 naar de schoolprestaties van onderwijssocioloog Jaap Dronkers staan vier van de dertien vrije scholen voor voortgezet onderwijs in de top tien van scholen die hun basiskwaliteit op orde hebben en daarnaast extra toegevoegde waarde hebben voor hun leerlingen. Een groot verschil met 2006 toen bijna de helft - 35 van de toen 73 vrije scholen - door de Onderwijsinspectie als ‘zwak’ of ‘zeer zwak’ werd beoordeeld. Wie nu op de website van de inspectie kijkt, vindt nog vijf vrije scholen voor primair onderwijs die niet aan de kwaliteitseisen voldoen.
Aan de kwaliteitssprong ging een verbetertraject vooraf met als doel de scholen volgens ‘de eigen normen en die van de overheid als kwalitatief hoogwaardig’ te maken. Leo Stronks was lid van de Taskforce die zich hiermee bezig hield. “Hierin werd nadrukkelijk erkend dat de vrije scholen niet voldoende kwaliteit leverden en kwam de onderliggende problematiek aan de orde.”
In een voortgangsrapportage uit 2008 staat onder meer dat er ‘onvoldoende zicht is op kwaliteitsmanagement als middel om cyclisch te sturen op structuur en inhoud’. Vooral oudere leraren konden moeilijk wennen aan de toetsstructuur. En schoolleiders hadden grote moeite prioriteiten te stellen.
“Het was pompen of verzuipen”, zegt Marieke Frickel die in 2007 aantrad als schoolleider van de Johannesschool in Tiel, een vrije school voor primair onderwijs die destijds het predicaat ‘zeer zwak’ had.
“Docenten meenden dat de inspectie het vrije schoolonderwijs niet begreep. Het liefst wilden ze de barricades op. Ik had dat niet. Ik wilde de kritiek gebruiken om de kwaliteit van het onderwijs op orde te krijgen. Pas dan ben je, wat mij betreft, in de positie om hoog van de toren te blazen.”
Frickel nam de kritiek van de inspectie met een open houding tot zich en kwam - met hulp en advies van de begeleidingsdienst voor vrije scholen - met een actieplan.

Pragmatisch
Zwakke schakel in het vrije schoolconcept was het ontbreken van een samenhangend systeem van toetsing. Op de vrije school volgde één leraar een kind bij voorkeur zes leerjaren (‘een rondje’, in vrije schooljargon) of drie leerjaren (‘een kort rondje’). Frickel: “De leerkrachten waren verbonden met hun eigen klas waar mooie dingen gebeurden, maar het ontbrak aan planmatigheid, transparantie en een objectieve context, waarlangs je een ontwikkeling kon meten.”
Op de vrije school werd niet met methodes gewerkt. “Alles wat je deed, bedacht je zelf”, vertelt Frans Schobbe, die inmiddels 26 jaar ervaring heeft als vrije schoolleerkracht, waarvan de laatste vier jaar op de Johannesschool. “In een geschiedenisperiode had ik eens 45 boeken op tafel liggen om me voor te bereiden.” Leerkrachten ontwerpen nog steeds zelf hun lessen, maar baseren zich op de kerndoelen die de wet voorschrijft. Soms wordt een (onderdeel van een) methode ingezet.
Ook werkt de school nu met een leerlingvolgsysteem dat gekoppeld is aan Cito-toetsing. Een ingrijpende verandering, want het curriculum van ieder leerjaar moest op de schop. Ook kwam er een kleutertoets, al was dat niet nodig om een voldoende van de inspectie te krijgen. Frickel: “We pakten alle onderdelen aan die volgens de inspectie om verbetering vroegen. Een pragmatische keuze.” Maar, benadrukt ze: “We laten de kleuters er niet mee oefenen.”
Schobbe, begrijpt deze keuze, maar onderstreept dat hij de toets niet zinvol vindt. “Kleuters moeten in de zandbak spelen. Toetsen is pas zinvol als je kunt lezen en schrijven.”
De Cito-eindtoets krijgt zijn klas 6 (groep 8) “gelukkig” niet. “Dat zou ik niet willen”, zegt hij. “Dan moet met name het geschiedenisonderwijs op de schop, en zou ik vaderlandse geschiedenis moeten gaan geven in plaats van het oude China, India, Egypte en Griekenland te behandelen.” De leerlingen in de laatste klas van het primair onderwijs krijgen het ‘drempelonderzoek’ waarvan de uitkomst met een tabel van de inspectie kan worden omgerekend naar een ‘Cito-getal’, zoals Frickel dat noemt. Er zijn overigens ook vrije scholen die de Cito-eindtoets wel gebruiken.

Bemoeienis
Wat is er nog over van de antroposofische idealen waarmee Rudolf Steiner in 1923 de eerste vrije school oprichtte? ‘Vrij van overheidsbemoeienis’, waarop het ‘vrije’ in de benaming slaat, is de school in Nederland in elk geval allang niet meer. Met het accepteren van overheidssubsidie (vanaf 1948) verplicht de school zich om zich te conformeren naar de regels van de wet: “Als je het geld aanneemt, moet je je aan de regels houden”, vindt Stronks. “Maar inhoudelijk trekken we onze eigen lijn. Een toets of methode mag niet leidend zijn. Daar gaan we graag over in discussie.”
Het portret van grondlegger Rudolf Steiner hangt niet meer standaard in de gang. “Bij de ene school wel, en bij de andere school niet”, weet directeur Frickel.
De leerlingen in Tiel leren in elk geval niets over hem. In tegenstelling tot vroeger toen sommige vrije schooldocenten in het voortgezet onderwijs tijdens het vak volkenkunde aan leerlingen citeerden ‘dat negers dikke lippen hebben’ en ‘dat bij de gele medemens de altijd aanwezige glimlach emoties verbergt’. In 1996 leidde dit tot een rel nadat een moeder erover uit de school klapte. Ondanks het feit dat scholen zich openlijk van Steiners ‘rassenleer’ distantieerden, plaatste de berichtgeving het onderwijs in een negatief daglicht. Een paar jaar later deden de inspectierapporten daar nog een schep bovenop. “En toen gingen we plat”, zoals leerkracht Schobbe het zegt.
De leerlingenaantallen daalden, maar er bleef voldoende animo om scholen draaiende te houden. Tot 2006 waren ouders niet onder de indruk van het predicaat ‘zeer zwak’, vertelt directeur Frickel. “De keuze voor de vrije school had te maken met het mensbeeld, de aandacht en de prettige sfeer. Er was niet één ouder die zijn kind door het negatieve oordeel van school haalde.”
De huidige opwaartse spiraal dankt de school waarschijnlijk aan de antroposofische ideaal van weleer. Zo is er het periodeonderwijs waarbij gedurende een periode van drie of vier weken iedere dag van half negen tot half elf aandacht is voor een hoofdvak: rekenen, taal, heemkunde, dier- en plantkunde, aardrijkskunde, geschiedenis en natuurkunde.
Wolters van de Zwolse projectgroep spreekt van een kroonjuweel. “Een positief verschil met vroeger is dat de kinderen nu ook rekenoefeningen doen als het niet het hoofdvak van die periode is.”
“Vroeger werd er soms drie weken niet gerekend”, vult Schobbe aan.

Stampen
Volop aandacht is er daarnaast voor vreemde talen (Engels en Duits), kunstzinnige vakken (muziek, schilderen, verhalen, vormtekenen en toneel) en bewegingsvakken (gymnastiek, tuinbouw, handenarbeid en handwerken) en het kunstzinnige bewegingsvak euritmie. Leerkrachten leggen een directe relatie tussen leren en bewegen. Als klas 3 (groep 5) leert vermenigvuldigen, lopen de leerlingen rond in een kring, en stampen bij alle getallen in de tafel van 2. Dus: een stamp op 2, 4, 6, 8. Frickel: “Dat breiden ze soms uit met een handklap in de rij van 3, en daarna met tegelijkertijd klappen en stampen voor de rij van 6.”
Oud-voorzitter van VVS, Stronks: “Nu noemen we dat samenwerking tussen de twee hersenhelften. Rudolf Steiner schreef honderd jaar geleden al dat je - om een cijfer te doorgronden - de beweging ervan in je lichaam moet laten resoneren.”
Om het complete onderwijspakket te verzorgen, leverden leerkrachten vroeger een deel van hun salaris in, waarvan dan een extra leerkracht werd betaald. Nu vragen de vrije scholen een vrijwillige bijdrage van ouders. Op de Johannesschool is deze gemiddeld 300 euro per jaar. “Het is bedoeld om het extra onderwijs van te bekostigen, en mag niet functioneren als een drempel”, benadrukt directeur Frickel.
Op de Johannesschool scoorden leerlingen dit jaar hoger dan de hoogste inspectienorm. Op de vrije school de Driestroom in Den Bosch, waar Frickel ook schoolleider is, scoorden leerlingen de afgelopen twee jaar hoger dan de hoogste inspectienorm.
“Een mooi resultaat”, vindt ze. “En het geeft aan dat ons gevarieerde aanbod goed is voor de ontwikkeling. Kinderen leren rekenen door af te wisselen met andere vakken. En niet door alleen maar te rekenen.”
Ondanks het feit dat haar scholen in een krimpgebied staan, is er sprake van een lichte groei van het aantal leerlingen. De school in Tiel groeide sinds 2008 van 96 naar 110 leerlingen nu, de school in Den Bosch groeide in diezelfde tijd van 192 naar 207 leerlingen.
De helft van de instroom komt uit het reguliere onderwijs. “Ouders kiezen heel bewust voor ons. Ze rijden aan andere scholen voorbij om hun kind bij ons te brengen. De school krijgt steeds meer een regiofunctie.”

Pronken
“Als de Onderwijsinspectie vroeger een rekenles wilde bijwonen, zei je: Dat kan niet, want ik geef geschiedenis nu. We vonden het al heel wat dat we de inspectie überhaupt binnenlieten”, blikt leerkracht Schobbe terug op zijn ‘eerste rondje’.
“Sinds we ons conformeerden, zijn we van alle problemen af. Op de officiële lijsten scoren we voorbeeldig. We voldoen aan de normen, en springen er positief bovenuit. Daar pronken we nu mee, terwijl we dat vroeger vies vonden”, lacht hij.
“Onbedoeld zijn we een elitaire school geworden. Na 26 jaar vrije schoolonderwijs heb ik dit jaar voor het eerst te maken met een aanmelding van een Marokkaanse leerling.”
Na een periode van ‘vaag aannamebeleid’ ontwikkelen de nieuwe vrije scholen zich - nu net als in de jaren zeventig en tachtig - weer in samenspraak tussen ouders en leerkrachten, merkt Stronks van de VVS, op. “Samen weten we wat belangrijk is.”
Daarnaast is de kracht van de vrije school, volgens Frickel vooral dat je ‘mag zijn wie je bent’. Op de nonnenschool waar zij als zesjarige op de eerste schooldag blijmoedig naar de zuster toe huppelde, hoorde ze deze tegen haar moeder zeggen: Ze is nogal vrij, zie ik. Dat krijgen we er wel uit.
Frickel: “Als kind werd ik me op die school bewust van wat er niet deugde aan mij. Op de vrije school proberen wij het kind in zijn geheel te zien, en te laten ontwikkelen.”

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.