• blad nr 10
  • 25-5-2013
  • auteur . Overige 
  • Redactioneel

Universitair docent Wilna Meijer: 

De ratrace moet de school uit

Aandacht voor de vakken en de vorming van leerlingen, dáár moet het in het onderwijs weer om draaien. Dat bepleit universitair docent Wilna Meijer in haar boek Onderwijs, weer weten waarom. Ze hekelt de verschoolsing van het kinderleven en de ontscholing van scholen

Tekst Mandy Pijl

In het onderwijs constateert u zowel verschoolsing als ontscholing. Wat is er aan de hand?
“Die verschoolsing is heel concreet, kinderen gaan op jongere leeftijd naar school en de schooldagen zijn vaak langer. Of je het hebt over de brede school of de kantoorurenschool; het is geen onderwijs, maar het is wel gebruikelijk geworden om kinderen zoveel mogelijk uren per dag in de school te laten zijn. Die vanzelfsprekendheid, daar mogen we eens over gaan nadenken. Of we de vrije tijd van kinderen op deze manier niet al te makkelijk in beslag nemen.”
In uw boek heeft u het over ‘total institutions’, instellingen waarbij de vrijheid van mensen wordt afgenomen, zoals gevangenissen en psychiatrische instellingen. Is dat niet een te gortige vergelijking?
“Natuurlijk overdrijf ik. ‘Total institutions’, daar kom je echt niet uit. Maar de afzwakking daarvan, het begrip ‘gulzige institutie’ vind ik toch wel van toepassing. Kijk naar kinderen in de basisschoolleeftijd. Als zij tijdens kantooruren op school zitten, dan komen ze thuis waar nog maar een beetje quality time is voordat het bedtijd is. Als je slapen niet de vrijetijdsbesteding bij uitstek vindt, dan hebben kinderen dus geen echte vrije tijd meer.”
Wat voor effect heeft dat op kinderen?
“Er zullen kinderen zijn die het echt leuk vinden, al die culturele en sportieve activiteiten van de naschoolse opvang. Maar dit is die paradox van verschoolsing en de gelijktijdige ontscholing. We laten kinderen langer op school zitten, waar het steeds minder om onderwijs draait. Vaak wordt gezegd: ‘Maar al die activiteiten vormen zo’n mooi aanbod.’ Net zoals men zegt dat de voor- en vroegschoolse educatie, de vve, hartstikke speels is. De essentie is dat kinderen niet vrij kiezen. En dat wij het zo vanzelfsprekend zijn gaan vinden dat we ze die keuze afnemen.”
Waarom moeten kinderen die keuze wel hebben?
“We trekken kinderen in een ratrace, in de wereld van de haast waarin je je tijd goed dient te gebruiken. Misschien is het wel heel lekker om je tijd nou wel eens te verdoen. En om rust te hebben.”
Ontscholing zit hem volgens u ook in andere dingen.
“Onderdeel van de paradox is het feit dat de school zoveel nieuwe taken heeft gekregen. Steeds minder draait het alleen om onderwijs, maar bijvoorbeeld dus ook om kinderopvang waar in moet worden voorzien. De overheid speelt daarin een belangrijke rol. Zij heeft het verplicht gesteld en zegt waar een school aandacht aan moet besteden. Milieu, obesitas, drugsgebruik, criminaliteitspreventie. En waarden en normen niet te vergeten, waarbij kabinetten als in een pedagogische reflex naar de scholen kijken. Als het thuis niet gebeurt en het is op straat een puinhoop, dan moeten de scholen opvoeden. Maar als het buiten de school kennelijk niet meer pluis is, hoe zou de school dat dan kunnen rechtbreien?”
De school kan de maatschappij niet verbeteren?
“Als het al zou kunnen, en ik ben ervan overtuigd dat het niet kan, dan in de toekomst met de nieuwe generatie. Maar het is toch terecht dat volwassenen hun problemen zelf oplossen? Met andere politieke middelen dan de educatie welteverstaan, niet door het probleem op de nieuwe generatie af te wentelen. Door de oplossing te zoeken in het onderwijs, laat je het actuele probleem bestaan.”
Wat is het gevolg voor het onderwijs?
“Leraren hebben het gevoel dat ze minder toekomen aan waar het volgens de meesten eigenlijk om draait. Om de vonk die kan ontstaan als leerlingen, studenten denken: Hier ga ik me in verdiepen. Dat is de essentie van onderwijs.
Maar met zo’n bemoeizuchtige overheid en een samenleving, inclusief de ouders, die voortdurend op de stoep staan omdat de school dingen van ze moet overnemen, krijgt een school steeds minder ruimte om te doen waar het om gaat. Dat heeft ook te maken met de economisering. Dat scholen met geld moeten werken, daar verantwoording voor moeten afleggen en afgerekend worden op hun prestaties. Maar ook dat ze zelf over het onderwijsproces zijn gaan denken in economische termen als input en output.”
Wat vindt u daar kwalijk aan?
“Dat de school deel uit is gaan maken van die ratrace, dat kinderen daar in worden gevoegd. Terwijl de ruimte en de rust om je als leraar en leerling samen ergens op te concentreren wordt uitgehold. Het is de haast. Zo hoog mogelijk scoren en weer verder. Ware vorming, van iets leren houden, dat is die vonk. Dat een leerling op school met iets kennismaakt waarvan hij daarbuiten niet had durven dromen en waarvan hij denkt: Hé, dit vind ik leuk. Dit wil ik misschien wel worden.
Dat hij zich daar dan voor gaat inzetten. Niet voor een goed cijfer, maar om het te willen kunnen en zich er in te blijven ontwikkelen.”
Toch uit u kritiek op ‘een leven lang leren’.
“Dat heeft een heel andere context, die van de flexibilisering van de arbeidsmarkt waar je voortdurend bezig bent om te kijken hoe je daar zo goed mogelijk kunt scoren, welke competenties je nog moet verwerven om een betaalde klus te krijgen. Op die arbeidsmarkt is er geen vak waarvan je bent gaan houden, geen vak dat je steeds beter in de vingers probeert te krijgen. Er is kortademigheid en winstbejag. Het denken in het onderwijs is erdoor aangetast.”
Wat moet er veranderen?
“Ook in de opleidingen moet meer aandacht komen voor de inhoud van het onderwijs, dat mensen niet worden opgeleid om methoden uit te voeren, maar dat ze kunnen bepalen of methoden geschikt zijn voor hun school.”
Is er uit het leraarsberoep nog wel voldoening te halen?
“Dat wordt ernstig in de hoek gezet. Leerkrachten zijn veel meer bezig met dingen die marginaal zijn, zoals het invullen van formulieren, vergaderen, verantwoording afleggen en het maken van visitatierapporten voor audits. Dat raakt niet meer waar het om ging: leerlingen en studenten te laten ontdekken waar hun hart ligt. Ik pleit voor een school die weer school mag zijn, waar onderwijs en vorming centraal staan en waar tijd en ruimte is. Tijd voor de leraar om de liefde voor zijn vak te laten zien en tijd om aandacht voor leerlingen te hebben die daarmee bezig zijn, die zich geconcentreerd willen vormen. De ratrace moet de school uit.”

{kadertje, bij foto}
Wilna Meijer is universitair hoofddocent algemene pedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. In haar onderzoek houdt zij actuele ontwikkelingen en trends in het onderwijs kritisch tegen het licht van klassieke pedagogische inzichten. Haar boek Onderwijs, weer weten waarom is verschenen bij uitgeverij SWP, ISBN 9789088504112, € 19.90.

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.